19 - Over de Tempeliers van Brugge en Gent, de Baphomet en Sint Baafs, het Lam Gods, Jan Van Eyck en de alchemisten



19.




Maarten beleefde tijdens die eerste dagen van 2006 een Sprookje van 1001 Nacht. Lena vertelde hem als een nieuwe Sheherazade de wonderlijkste verhalen en zo lang haar verhalen duurden, zou hij haar onderdak, veiligheid, geborgenheid, genegenheid geven. Ze spraken er nooit met zoveel woorden over, maar daar kwam het wel op neer. Stilzwijgend hadden ze een overeenkomst gesloten. Overdag zouden ze werken, ’s ochtends en ’s avonds zouden ze de pannen van alle denkbare daken vrijen en bij nacht zouden ze slapen in elkaars armen, als in een roes, wezenloos gelukkig. Dan werden Ilse en Lisa en Vera gereduceerd tot meisjesnamen zonder meer, en pseudologia phantastica tot een abstracte term uit de psychologie die je wel vaag kende, maar waar voor jou persoonlijk geen specifieke betekenis aan verbonden was.


Haar schamele bezittingen lieten ze voor wat ze waren in haar spartaans ingerichte cel van het gestaag in puin vallende kasteel dat haar grootvader ooit had beschreven als de Graalburcht. Ze stonden onder curatele van een seniele, zij het nog flink voyeuristische parkwachter. Lena en Maarten, zij gingen shoppen. Hij stak de zwerfkat die hij in een goor hotelletje had gevonden liefdevol en van kop tot teen in het nieuw. Ze koos heel vrouwelijke kleren uit die in een schrille tegenstelling stonden tot wat ze had gedragen toen hij haar leerde kennen. Een setje rooie sexy lingerie en een setje zwarte, een kort rokje en een truitje met een diepe uitsnijding en nog veel meer. Ze kocht een zonnebril en een sjaal waarin haar fijnbesneden gezichtje schuil kon gaan.


Lena liet hem Brugge zien. ‘Het begijnhof Ten Wijngaerde is vooral in de lente heel charmant,’ zei ze, ‘met al de gele irissen die er bloeien. Het is gebouwd op de gronden van de Vlaamse Tempeliers van de commanderij van Slijpe.’ Het Sint Janshospitaal, in de schaduw van de Onze Lieve Vrouwekerk, fungeerde reeds in de twaalfde eeuw als ziekenhuis. Het was één van de oudste van Europa en het werd gesticht door de Tempeliers. In de Kapel van het Heilig Bloed toonde ze hem een muur in de crypte, met onderaan twee vazen, die ongetwijfeld naar de Graal verwezen. In de Jeruzalemkerk, die nog steeds in handen was van de Adornes familie, bewonderden ze de unieke crypte van het Heilig Graf, die een getrouwe kopie was van het Heilig Graf te Jeruzalem.


Lena deed Maarten een magisch-realistische anecdote uit de doeken in verband met de nagemaakte deksteen van het graf van Christus. ‘Die brak twee keer middendoor, twee keer op dezelfde plaats. Men reisde dan maar opnieuw naar Jeruzalem om metingen en onderzoek te doen. En daar werd geconstateerd dat ook de sluitsteen van het echte graf op precies dezelfde plaats was gebroken!’


Ze bezochten het spookhuis in de Spanjaardstraat waar de familie Christiaenssens woonde voordat Lena werd geboren en waar de VDAB nu gehuisvest was. Toen Maarten haar vroeg of hij ook haar ouderlijk huis kon zien – hij wist alleen dat het zich in een buitenwijk van Brugge bevond – antwoordde ze kortaf dat dit veel te gevaarlijk was. ‘Ik ben niet gek, Maarten. En ik ben mijn leven ook nog niet moe.’ Blij dat te horen, dacht hij.


Ze beëindigden hun bezoek aan Brugge in het oude tolhuis. Daar bevonden zich een zeshonderdtal handschriften uit de befaamde abdij van Ten Duinen, waaronder ook de regel de Tempel. ‘Die wordt hier al bewaard sinds de monniken hun schatten in veiligheid moesten brengen voor de beeldenstormers,’ zei Lena.


Het standbeeld dat men daar aantrof, was van Jan Van Eyck, overleden te Brugge in het jaar 1441.






Die nacht droomde Lena. Ze ontwaakte met een gil, badend in het koude zweet, klappertandend. Het was nog geen vijf uur. Maarten haalde een glas water in de badkamer en ze schetste hem zeer gedetailleerd alle bijzonderheden van haar droom. Hij bleef met zijn arm rond haar schouders in bed zitten, in het bijtende licht van de slaapkamer, wachtend tot de ochtend in de lucht kwam.


Ze stond in de hal van hun huis in de buitenwijk van Brugge, voor de trap, maar er was wat mis met de perspectieven. Als ze naar boven keek, langs de trap, zag ze een steeds vernauwende spiraal die naar de top van een trechter leidde. Ze dacht: ‘Dat moet het dak van de wereld zijn. Daar zal ik de zon zien.’ Ze ving de beklimming aan. Al na een paar treden begon ze te hijgen en te zweten, maar ze liep verder, draaiend om een denkbeeldige as, en bereikte zo de overloop, waar de trap eindigde.


In haar droom begon daar een nieuwe trap. Ze dacht: ‘Misschien houdt het nooit op. Misschien kan ik zeven dagen klimmen zonder het dak van de wereld te bereiken en de zon te zien. Steeds hoger, me steeds verder verwijderend van de begane grond, tot ik nog slechts een stipje ben, een stofpluisje, niets meer dan duisternis.’


Lena voelde haar benen niet meer en werd bevangen door duizelingen. Haar hart ging als een razende te keer. Ze vroeg zich af hoe ver het nog was. De hal lag daar ergens in een donkere diepte. Alleen de vele kaarsen langs de trap zorgden voor een schijntje licht. Het waren net schitterende sterretjes in een nachtelijk uitspansel en ieder sterretje was een zon en rond elke zon wentelden planeten en ze had hoogtevrees. Ze keek naar de uitgesleten treden waarover ze was gegaan en dacht aan de ontelbaren voor haar en de ontelbaren die nog na haar zouden komen. Ze dacht aan definities van eeuwigheid en was zo bang – voor de leegte, voor het niets, voor alle dingen zonder naam en zonder betekenis. En voor papa. Ze was vooral bang voor papa. Zijn werkkamer bevond zich daarboven, op de zolder. Kindjes mochten daar niet komen – maar Lena was er wel eens geweest. De zolder van het huis was het dak van de wereld en van op die plek hoog in de wolken kon je de torens van Brugge zien en de mensen die daar als mieren door de straten krioelden. Je stond er vlak bij de zon, je kon er god en godinnetje spelen. Hoe ver moest ze nog gaan? Hoe diep kon ze vallen?


Papa hield mama daar gevangen. Lena moest haar bevrijden. Ze zouden vliegen op eigen vleugels van karton en latjes, lijm en veren. Ze zouden samen naar de zon vliegen, opstijgen van het dak van de wereld en niet vallen, nooit meer vallen. Maar nu… Nu had ze bijna geen adem meer. Was het niet telkens dezelfde trap die ze besteeg, als een hamster in een tredmolen?


Toen was er plots de deur, waarachter mama moest wonen. Mama wachtte op Lena, mama verwachtte haar. Ze zouden spelen op het dak van de wereld en vliegen op eigen vleugels. Lena duwde de deur open. Ze kriepte en piepte en het was aardedonker op zolder. Lena knipte de zaklamp aan die ze al de hele tijd in haar handen hield en bescheen het dakgebinte.


De lichtstralen tastten de pannen af. De zolder was hoog, maar daar had je een touw.


De straal daalde, volgde het touw, vond een hoofd – het hoofd van Isolde de Blonde, maar dit was Isolde de Blonde niet meer, dit was Isolde de Grauwe, Isolde de Blauwe. Haar tong hing uit haar mond en haar ogen puilden uit hun kassen als de ogen van een kikker. Het touw zat om haar nek en haar nek was gebroken en de stoel lag onder haar in het luchtledige bengelende voeten, de poten omhoog, naar haar uitgestrekt, als om haar op te vangen.






Lena liet hem Gent zien en voortaan zou hij de stad waar hij al zo lang woonde ook met haar ogen zien. ‘Tot in de zeventiende eeuw bevond zich in de Sint Margaretastraat de hoofdingang van het Hof der Tempelridders,’ vertelde ze. ‘Het gebouw was volledig omwald en ommuurd. Het kerkhof en de Tempelkerk – later Onze Lieve Vrouw ter Zwaluwen genoemd – waren gelegen aan de kant van de Lange Steenstraat, aan de rand van het Patershol. Er is weinig gekend over het ontstaan van het Tempelhof, maar volgens oude bronnen werd het gesticht vóór 1180. Na de opheffing van de orde werden alle bezittingen overgedragen aan de ridders van Sint Jan van Jeruzalem, die later bekend zouden worden als de Maltezer ridders.’


In 1310 hielden ene Goswin van Brugge en een Goswin van Gent nog een stoutmoedig pleidooi ten gunste van de Tempel. De kerk van de Gentse Tempeliers en het Tempelhof behielden gewoon hun naam. Pas op het eind van de achttiende eeuw werd de Tempelkerk afgebroken. Nu restte er van het Tempelhof niets meer dan verhalen over schimmen van ridders, gehuld in witte mantels, een rood kruis op de schouder. Klokslag twaalf zag men ze wel eens rijden in koetsen, getrokken door vurige zwarte paarden…


En zo was Lena Christiaenssens een bodemloos vat van verhalen, een hoorn des overvloeds die steeds nieuwe raadsels en geheimen produceerde, een tafeltje-dek-je waarop altijd weer andere vragen verschenen. Maar ze had ook iets van een sirene: luisterde je naar haar wonderbaarlijke verhalen, dan raakte je onherroepelijk betoverd, dan was je verloren.


En Maarten luisterde naar Lena, urenlang. En hij kwam in de ban van het geluid van haar stem alleen al. En daarvoor en daarna bedreven ze de liefde, eveneens urenlang. En hij raakte verslaafd aan het gevoel van haar huid op zijn huid, aan haar tedere aanrakingen, aan haar passie, haar geuren, haar alles. Hij, die altijd een matig mens was geweest, de matigheid zelve, Meneertje Middelmaat die slechts met mate had geleefd… hij was mateloos verliefd geworden. Sheherazade had hem geheel en al in haar macht. Hij piekerde er zelfs niet meer over haar verhalen te checken.


De enige spelbreker was Paul Daniels. Hij zat Maarten achter de veren en Maarten had zo het idee dat Daniels niet echt ingenomen zou zijn met een dissertatie over het Heilig Bloed, de orde van de Tempeliers en het verband met de Schotse vrijmetselarij. Op een verslag over zijn erotische esbattementen zat zijn baas wellicht al evenmin te wachten en lichtte hij een tipje van de sluier op over de psychotherapeut van zijn informante en de door hem gestelde diagnose van ‘pseudologia phantastica’, dan zou Daniels verder onderzoek langs deze wegen ongetwijfeld catalogeren als puur tijdverlies. Maarten moest bijgevolg zo snel mogelijk over harde feiten beschikken in verband met de mysteries rond de Rechtvaardige Rechters. Maar Lena had zo haar eigen agenda en volgde een heel eigen traject. Vond zij de tijd rijp om het hoofdstuk van het Lam Gods aan te snijden, dan zou zij dat doen – en geen seconde eerder. Meende ze dat het aangewezen was daarbij een bezoekje te brengen aan Sint Baafs, dan zouden ze dat doen. En anders niet.






Het Lam Gods werd niet langer tentoongesteld in de Vydkapel, waaruit het paneel de Rechtvaardige Rechters destijds gestolen was. In de Vydkapel kon je nu alleen nog een fotografische kopie op ware grootte bewonderen. Het echte altaarstuk moest je bekijken in de doopkapel, vooraan in de kathedraal, aan je linkerkant als je binnenkwam. Je kon het Lam Gods de hele dag bezoeken, van tien tot vier, maar je moest er wel drie euro voor neertellen. De ingang werd bewaakt door een slaperige meneer achter een loket.


Een groepje Amerikanen stond ongeduldig op een gids te wachten. Natuurlijk waren er ook Japanners van de partij, gewapend met camera’s en kwetterend dat horen en zien verging. De Gentenaren hadden hun lesje ondertussen geleerd: het Lam Gods zat nu in een drie meter hoge kooi van dik glas, die bestand was tegen zowat alle rampen die een kerk of een onschatbaar kunstwerk konden teffen, van kogels tot vallende stenen, van aardbevingen tot kleuters met ijslolly’s en plakkerige handjes, van overstromingen tot terroristische aanslagen door fundamentalistische moslims.


Een gids zette het extra in de verf dat een van de panelen links, in het onderste register, slechts een kopie was, vervaardigd door Jef Van der Veken. ‘De kopiist heeft de gelaatstrekken van één van de personen op de kopie iets veranderd, ziet u? En kunt u ons ook vertellen op wie deze rechter lijkt, mevrouw?’


‘Het is net koning Leopold III!’


‘Inderdaad! Zo zal de kopie nooit met het origineel verward worden indien dat op een dag onverhoopt weer mocht opduiken…’


Maarten verwachtte dat Lena een kort exposé zou geven over wat opa Jacob destijds zoal aan interessants had verteld over het Lam Gods, maar ze hield haar mond. In de doopkapel werd je dan ook in een indrukwekkend aantal talen op het hart gedrukt dat je een gewijde stilte in acht hoorde te nemen; alleen voor de gidsen verbonden aan de kathedraal kon daar een uitzondering op gemaakt worden. Filmen of foto’s maken was ook ten strengste verboden.


Lena stond in stomme aanbidding voor het Lam Gods. Maarten vroeg zich af of de vochtige glans in haar ogen veroorzaakt werd door een ontroering van het moment of de herinnering aan haar eerder bezoek met opa Jacob. Ze bleven een half uur rondhangen in de doopkapel en ook daarna – in de Vydkapel en in de crypte – leek Lena nog zozeer van de kaart, dat er geen woord over haar lippen kwam. Af en toe wierp ze een schichtige blik over haar schouder, alsof ze vermoedde dat haar boze papa of haar grote broer Jan haar zelfs in het huis van God schaduwden. Ze was nochtans deskundig vermomd met een sjaal en een hoofddoek.


Terwijl de organist een jubelende fuga speelde, verlieten ze de kathedraal. Als je de grote poort uitkwam en het Sint Baafsplein op liep, werd je aan je rechterhand meteen voor een verscheurende keuze geplaatst. De hongerigen konden gespijsd en de dorstigen gelaafd worden in niet minder dan vier taverne-restaurants, die van het Gentse toneelhuis meegerekend. In de zomer was het zoeken naar een vrije plek op een terrasje in de zon; in de winter zat het er binnen meestal eivol. Maarten koos voor de eerste gelegenheid, vooral omdat ze met enig gevoel voor couleur locale De Rechtvaardige Rechters was genoemd. Er was nog plaats bij het raam en ze bestelden koffie met een jong jenevertje van Filliers, om het weer warm te krijgen. De vochtige kilte van het Godshuis had hen verkleumd tot op het bot.


Toen Lena eindelijk begon te praten, sneed ze tot Maartens verbazing niet het onderwerp van de Rechters aan. Maarten zuchtte – protesteren had geen zin, wist hij inmiddels – en diepte z’n dictafoontje op uit z’n zak.


‘De Tempelorde werd ontbonden, maar de Vlaamse Tempelbroeders maakten zich niet ongerust… In 1307 waren alle Vlaamse commanderijen door de Franse koning ongemoeid gelaten, behalve die van Ieper dan. Maar zo kon je in het midden van de veertiende eeuw hier in Vlaanderen dus nog Tempeliers tegen het lijf lopen, die in alle vrijheid hun landgoederen beheerden. Ze kregen meer dan een halve eeuw respijt om zich terug te trekken en eventueel te verdwijnen, voordat de ridders van Sint Jan zich op bevel van de paus administratief meester maakten van hun commanderijen.’


Op het eind van de eeuw werd het graafschap Henegouwen geteisterd door een vreselijke epidemie: de Sint Antoniuskwaal, ook wel ‘sideratie’ genoemd. Het was een gangreenachtige aandoening die zich door aanraking verspreidde. De lichaamsdelen werden zwart en verdorden. Het aantal sterfgevallen lag ontzettend hoog. De graaf van Henegouwen zag geen heil meer in de geneeskunde en haar beoefenaren, en hij deed een beroep op de broederschap van metselaars om de kwaal in te perken.


‘Waarom in godsnaam op de metselaars?’ vroeg Maarten.


Lena grijnsde haar scheve grijns. ‘Omdat ingewijden maar al te goed wisten dat de Tempeliers hun geheimen hadden overgedragen aan de maçonnieke broederschappen, die eerder al hun vestingen hadden gebouwd en in de hele westerse wereld de architectuur en de symboliek van de Tempel hadden verspreid. En de Tempeliers zouden dan weer beschikt hebben over magische krachten, die alles te maken hadden met “het drinkbaar goud” van de alchemisten.’


Maarten rolde met de ogen en maakte een smakkend geluid. ‘Zo heb ik ooit eens Ierse whisky horen beschrijven… Als drinkbaar goud… Maar ik neem aan dat je het over wat anders hebt.’


‘Ik heb het over het levenselixir, Maarten. Het drankje dat je het eeuwig leven geeft. Da’s trouwens ook een kwaliteit die al eens aan de Graal werd toegeschreven.’


In de ontreddering die door de epidemie werd veroorzaakt, zagen de erfgenamen van de Tempeliers een kans om de Tempel zijn vroegere luister terug te geven. De graaf van Henegouwen stemde erin toe een nieuwe ridderorde te stichten, die ook een verplegende opdracht zou hebben. Zo werd in Mons dan de ‘Ordre Militaire et Hospitalier de Saint Antoine en Barbefosse’ opgericht.


‘En dat was voorwaar een zonderling geval, Maarten… De zetel van de orde was niet gevestigd in een kasteel of zo, maar in een afgelegen ruïne in de bossen, op een boogscheut van Mons: de lugubere kluis van Barbefosse. Tijdens de epidemie werden daar de rottende lijken neergegooid van de ongelukkigen die door de pest waren aangetast. Niet ver van de kluis kun je tot op de dag van vandaag een achthoekige zuil zien, met daarop een stenen hoofd met een dubbel gezicht – het ene zonder, het andere met baard. Men heeft er Janus in gezien, of het afgehakte hoofd van Johannes de Doper, maar in feite is het alleen maar een zoveelste afbeelding van de Baphomet.’


‘De afgod van de Tempeliers?’


Ze knikte. ‘Toen de arme ridders van Christus door de inquisitie werden gemarteld, lieten sommigen dit woord wel eens vallen, zonder dat het duidelijk werd waar het precies naar refereerde. De Tempeliers leken de Baphomet in ieder geval te vereren. In veel van hun commanderijen werden sculpturen gevonden die een demonisch wezen afbeeldden, met een baardige kop. Historici hebben de naam “Baphomet” verklaard als een verbastering van Mohammed: Mahomed-Maphomet-Baphomet. Maar de naam kan ook afgeleid zijn van het arabische “abufihamet”, wat betekent: “vader” of “bron van alle wijsheid”. Sommigen hebben bepaalde ceremonies rond het hoofd dan weer in verband gebracht met de alchemie, waarin sprake is van een fase die men “Caput Mortuum” noemt, het Dode Hoofd. De Baphomet zou ten slotte ook kwaliteiten gehad hebben die traditioneel aan de Graal werden toegeschreven, zoals het land vruchtbaar maken en zo.’


Op zekere nachten, als de dwaallichten dansten, stond volgens de legende de kasteelvrouw van Barbefosse uit haar grafkelder op, om in haar witte mantel en met een kaars in de hand een of ander geheimzinnig werk te verrichten. Men fluisterde dat zij zich naar een nachtelijke vergadering van de ridders van Barbefosse begaf, eveneens gehuld in wijde witte mantels die zich door slechts één detail onderscheidden van deze die de Tempeliers droegen: het kruis over de schouder had een afgebroken bovenstuk, ten teken van rouw voor de orde. ‘Dit was het T-vormige kruis van de ridders van Sint Antonius, waaraan een klokje werd bevestigd: van goud voor de ridders der gerechtigheid, van zilver voor de ridders der genade. Hetzelfde embleem, Maarten, vind je terug op het portret van Frank van Borsele, de laatste grootmeester van de orde van Barbefosse. En dat portret staat bekend onder de naam De Man met de Anjer…’


‘Zo wordt toch ook een portret genoemd dat geschilderd werd door…?’


‘Door Jan Van Eyck? Ja.’


‘Wat probeer je me nu te vertellen, Lena? Dat de orde van Barbefosse eigenlijk alleen maar een andere naam was voor de orde van de Tempeliers en dat Jan Van Eyck hun grootmeester ooit geschilderd heeft?’


‘Onder meer,’ zei Lena. Ze had iets onverstoorbaars, haar stem bezat de rust van een brede stroom als de Schelde, die traag maar onweerstaanbaar naar zee vloeide, dat al eeuwen deed en zinnens was het nog eeuwen te doen ook. ‘Een andere ridder van Barbefosse is ook al geen onbekende voor de kunsthistorici onder ons. Hij draagt een banier van de Tempel – waarmee hij zinspeelt op het geheim verbond tussen de Tempel en de ridders van Barbefosse – terwijl hij te midden van een aantal hospitaalridders op het paneel de Ridders van Christus staat, dat behoort tot de polyptiek het Lam Gods van Jan Van Eyck. Merkwaardig trouwens, dat Jan Van Eyck de term Milites Christi gebruikt om die hospitaalridders aan te duiden, want zo werden in alle officiële documenten van die tijd de Tempeliers genoemd…’


Maarten slaakte een diepe zucht. Eindelijk waren ze waar we wezen moesten.


‘Ik zei toch dat je geduld moest hebben?’ grinnikte Lena. ‘Dit staat nu eenmaal niet te lezen in de naslagwerkjes die jij geraadpleegd hebt, hé?’


Ze zat hem met duidelijk plezier te plagen… en eigenlijk, moest hij bekennen, vond hij het wel leuk. Hij bestelde nog twee jenevertjes.


‘Och,’ zei Maarten. ‘Dat de ridders op het paneel naast de Rechtvaardige Rechters Tempeliers zouden zijn, dat wordt links of rechts wel eens gesuggereerd…’


‘En dat onze Vlaamse Primitief enige tijd de officiële schilder geweest is van graaf Willem van Ostremont, oudste zoon van Albert van Henegouwen en grootmeester in de orde van Sint Antonius van Barbefosse? Wordt dat in die populair wetenschappelijke werkjes van jou ook al eens gesuggereerd?’


‘Nee,’ zei Maarten. ‘Maar daar kun jij me ongetwijfeld alles over vertellen.’


‘In 1416 probeerde Willem nog een kruistocht naar het Heilig Land te organiseren. Zonder succes evenwel. Die terugkeer naar het Heilig Land moest overigens ook weer geïnterpreteerd worden als een poging om de orde van de Tempeliers, open en bloot, opnieuw op te richten. De Tempeliers zouden zelfs aan het hoofd van de kruisvaart staan. En het is precies dit idee, Maarten, dat Van Eyck uitbeeldde in het veelluik het Lam Gods, waarop graaf Willem onder de banier van Barbefosse én van de Tempel, de koningen uit het Westen meetroont naar het Hemelse Jeruzalem!’


In 1962 ontdekte ene pater Schiltz, een erkend Van Eyck expert, op het centrale luik van het Lam Gods enkele minuscule letters. Ze waren verwerkt in het hoofddeksel van een jood die deel uitmaakte van een groep oudtestamentische wijzen: VI K JUNII M CCCC 17. Pater Schiltz interpreteerde deze tekst als ‘de vooravond van de calendae van juni 1417’. Dat was 13 mei. Hij meende op die manier het werk gedateerd te hebben.


‘Maar als je nu weet dat graaf Willem niet alleen de oorspronkelijke opdrachtgever was voor het schilderen van het Lam Gods, maar ook op 13 mei 1417 overleed, dan lijkt die datum voor heel wat anders te staan, toch? De joden, die tegen de ambitieuze plannen van graaf Willem gekant waren, werden ervan beschuldigd hem vermoord te hebben en om die reden verwerkte Van Eyck de sterfdatum van zijn oorspronkelijke opdrachtgever in een jodenhoed. Na de dood van Willem diende Jan een andere opdrachtgever te zoeken voor het werk waaraan hij begonnen was. En die vond hij in de persoon van de schatrijke lakenhandelaar Jodocus Vyd. Maar je kunt dat hele Lam Gods dus moeiteloos interpreteren als een hommage van Jan Van Eyck aan zijn oorspronkelijke opdrachtgever en de ideeën waar die voor stond…’



WWW.SQUIDOO.COM/PATRICK-BERNAUW-ONLINE

Blog Rock 'n' Roll

Het Bloed van het Lam - Fan Box