27 - Over het Tempelhof van Slijpe en Ruddervoorde, de Tempelierstoren van Nieuwpoort en enkele Tempelhuizen in de Ardennen...


27.

In de periode 1891-1894 correspondeerde Ludwig Klein uitvoerig met Guido von List, zijn leermeester en opdrachtgever. De brieven van Klein hadden het karakter van rapporten. Het bleef vooralsnog een open vraag hoe de – duidelijk vrij recent gemaakte – fotokopieën in het bezit van Lena waren gekomen.
De brieven verstrekten geen uitsluitsel over de kwestie of Ludwig Klein na 1894 en vóór 1914 nog bij Guido von List rapport had uitgebracht over zijn queeste naar de Graal. Maarten veronderstelt van wel. Uit bepaalde, vrij frequent voorkomende allusies, kon men opmaken dat Ludwig Klein niet alleen een professionele, maar ook een vriendschappelijke relatie had met von List. Blijkbaar had Lena – of een illustere onbekende – uitsluitend fotokopieën gemaakt van het relevante materiaal.
Een eerste selectie rapporten was dus met de hand geschreven en gedateerd van 1891 tot 1894; een tweede selectie was getypt en gedateerd van 1914 tot 1918. Deze brieven hadden meer nog dan de missives uit de eerste serie het karakter van een officieel rapport, hoewel de toon – vooral tussen de lijnen – vriendschappelijk bleef. Klein ondertekende de brieven uit de tweede reeks niet langer gewoon als ‘Ludwig Klein’, maar als ‘Kreisoffizier L. Klein’. Nochtans merkte hij ergens op dat hij liever werd aangesproken als ‘Herr Professor’, omdat hij zich altijd méér een geleerde dan een militair zou voelen. Klein moet ondertussen ook getrouwd geweest zijn: met Kerstmis 1914 verging hij zowat van heimwee naar zijn vrouw en vooral naar zijn zoontje Dieter, dat net twee jaar oud was geworden.
Klein en von List beschouwden de Baphomet, de Graal, de Steen der Wijzen en de schat van de Tempeliers als synoniemen, die zowel verwezen naar ‘een geheim aan de basis van het christendom’ als naar het materiële bewijs hiervoor. De Graal of de schat van de Tempeliers hoefde ook niet noodzakelijk op één enkele plek gezocht te worden. Het was best mogelijk dat Gerard de Villers het geheim – en de bewijsstukken – op verschillende plaatsen in veiligheid had gebracht.
‘Dit zou alvast een verklaring zijn voor een aantal mysterieuze Vlaamse sagen rond een “Turkenschat” of “een schat van de Saracenen”, die ik twintig jaar geleden reeds heb genoteerd, omdat ze mij toen al intrigeerden,’ stelde Kreisoffizier L. Klein. ‘De volksmens heeft weinig op met historische nauwgezetheid en beseft niet dat “de Turken” zich nooit in deze contreien hebben opgehouden. Wel is het zo dat de geestelijke overheid er steeds de idee heeft ingehamerd dat “de Turk” de Antichrist is. Van elke buitenissige indoctrinatie blijft nu eenmaal iets hangen en op die manier werden Saracenen en Turken, maar ook heidenen, vrijmetselaars en Tempeliers door de volksmens over één kam geschoren. Al is de Antichrist in deze gewesten voorlopig verslagen, zo luidt de boodschap van talloze volksverhalen, toch heeft hij hier talloze schatten verstopt, in de hoop die ooit te kunnen ophalen.’
Herr Professor Klein vond het bijzonder intrigerend dat de Baphomet – ‘een naam die slechts bij een beperkte schare van kenners een belletje doet rinkelen’ – ook wel als de Mahomet of de Maphomet opdook in een sage, die op het eerste gezicht niets te maken had met de Tempeliers. ‘Zo zou in het Oostvlaamse Wanzele, een gehucht bij Lede, een afgodsbeeld onder de kelder van een oud huis verborgen zijn. Deze Gouden Maphomet zorgt er voor vervelende Poltergeist-fenomenen. Waar komt deze naam zo opeens vandaan? Vlaamse volksmensen weten amper te vertellen dat de Tempeliers “slechte geestelijken” waren! Op nauwelijks vijf kilometer van Wanzele, in de schaduw van de kerktoren van Mespelare, zou er dan weer een “gouden wieg” begraven liggen, die wordt bewaakt door een Turks spook. Telkens wanneer een schattenjager in de buurt komt, zorgt het spook ervoor dat de schat nog dieper in de grond verzinkt.’
In Vlaanderen had Herr Professor Klein in zowat alle vroegere verblijfplaatsen van de Tempeliers schatsagen aangetroffen. Meestal was er ook sprake van geheime gangen, zwarte kunst en vervloekingen, wat in het licht van de reputatie die de Tempeliers – verdiend of onverdiend – verwierven, geen verwondering mocht wekken. Hij vond het ten zeerste frustrerend dat hij niet in de gelegenheid verkeerde opgravingen te doen in de abdij van Ten Duinen, die – voor hem onbereikbaar – achter de IJzer lag, waar de Duitse troepen waren vastgelopen in de Vlaamse modder.
Klein geloofde heilig in wat hij ‘het Systeem Schliemann’ noemde. Heinrich Schliemann had het historische Troje ontdekt, op basis van aanwijzingen die hij gevonden had in wat men voordien als louter mythen beschouwde. Klein dacht dat het mogelijk moest zijn hetzelfde te doen met de Graal of de schat van de Tempeliers. Als hij de overlevering mocht geloven – en dat deed hij – dan moest er vanuit de kelders van het Tempelhof van Slijpe een onderaardse gang vertrekken naar de Tempelierstoren in Nieuwpoort. Slijpe was na Ieper een van de allereerste en belangrijkste vestigingen van de Tempeliers op het Europese vasteland. Het lag op een goede twintig kilometer ten noorden van Ieper, vlak bij de zee.
In 1819 werden op de muren van de Tempelierstoren enigmatische schilderingen ontdekt, die door sommigen in verband werden gebracht met de geheimen van de Tempel. Kreisoffizier Klein bestudeerde de fresco’s grondig. Zijn conclusie was even merkwaardig als formeel: ‘De schilderingen stellen de Gouden Wieg voor en deze Gouden Wieg vertoont een verbluffende gelijkenis met populaire afbeeldingen van de Graal.’ Uit het begin van de negentiende eeuw dateerde ook een eerste speurtocht – door Hollandse geniesoldaten – naar een onderaardse geheime gang, waardoor de Tempeliers aan de arrestaties van 1307 zouden zijn ontsnapt. Eind 1914 zocht Kreisoffizier Klein eveneens naar de onderaardse gang, maar de oorlogsomstandigheden hadden hem belet die te vinden.
Op de kopies van zijn rapporten die deel uitmaakten van het dossier dat Mennaert rond Lena had samengesteld, kwamen zelden notities voor. Bij deze passage had iemand echter met een rode viltstift drie grote vraagtekens gezet, gevolgd door een handgeschreven opmerking: ‘In 1916 werd de Tempelierstoren door de Duitsers om strategische redenen opgeblazen. Nu rest er alleen nog een ruïne en een monument ter herdenking van de Slag bij Nieuwpoort en het onder water zetten van de IJzervlakte.’ Maarten herkent het handschrift als dat van Lena.
Toen Slijpe in 1914 door Duitse marinesoldaten werd bezet, kon Kreisoffizier Klein probleemloos beschikken over een detachement militairen. Het was zijn bedoeling ‘veldwachter Vanhoutte en de heren Pycke en Yperman te ondervragen aangaande de onderaardse gang en de telefoonverbinding tussen de Tempelierstoren van Nieuwpoort en het Tempelhof van Slijpe’. Omdat de Slijpenaren niet wilden of konden praten, werden zij gearresteerd. ‘Onze informanten waren nochtans formeel,’ schreef Kreisoffizier Klein. ‘Anderhalve eeuw geleden liet een herder zich niet afschrikken door de lugubere verhalen rond de Tempelierstoren, die niet voor niets ook wel eens de Duiveltoren werd genoemd. Hij liet zijn schapen rustig in de polders grazen. Drie jaar later verdween hij met de noorderzon. De schapen liet hij achter. Zijn fortuin was blijkbaar gemaakt.’
Ook hier had Lena weer een opmerking bij geschreven: ‘Opa Jacob zei dat de Duitsers ook om strategische redenen het ondergrondse gangennetwerk probeerden te vinden, dat onder de IJzer zou doorlopen naar de Tempelierstoren. Belgische geniesoldaten, gelegerd in De Panne, en een Franse eenheid hebben eveneens expedities georganiseerd naar de geheime gangen. In Slijpe is men er echter nog steeds van overtuigd dat het de Duitsers wel degelijk te doen was om de schat van de Tempeliers, en dat hun zoektocht naar de geheime gangen hun ware bedoelingen moest camoufleren. De dorpelingen herinneren zich nu nog verhalen over spookachtige verschijnselen en eeuwenoude vervloekingen, die niet alleen rond het Tempelhof van Slijpe, maar ook rond de Tempelierstoren van Nieuwpoort worden verteld. Volgens opa Jacob werden dit soort verhalen wel eens meer rondgestrooid door personen die ergens een schat begraven hadden of een schat zochten, om nieuwsgierigen op afstand te houden.’

Een van de belangrijkste Vlaamse Tempelvestigingen was gelegen in Ruddervoorde, de geboorteplaats van Gerard, elfde Grootmeester van de Tempelorde. Toen de Orde werd opgedoekt, raakte het domein van Gerard van Ruddervoorde in verval. Kreisoffizier L. Klein betrok uiteraard ook dit Tempelhof in zijn onderzoek en kwam erachter dat de Tempelgrootmeester in zijn geboortgeplaats niet zo’n beste reputatie had. Over de Tempeliers wist men in Ruddervoorde weinig meer te vertellen dan dat ze alleen na het vallen van de avond buiten kwamen, altijd vergezeld waren van vervaarlijke waakhonden en zich bezondigden ze zich aan afgoderij, sodomie en allerlei magische praktijken.
Het enige dat nog restte van de voormalige commanderij van Gerard van Ruddervoorde was een grote hoeve die bestond uit niet minder dan drie verdiepingen en gelegen was op de weg van Ruddervoorde naar Torhout. Het gebouw was omringd met grachten en het stond in de volksmond bekend als ‘het huis van de Tempelier’.
‘Omstreeks 1835 woonde hier een zekere Melia Dumont,’ vertelde de eigenaar aan Klein ‘Ze was de oudste dochter van tien kinderen en had vanaf haar vijftiende jaar voor het hele gezin gezorgd, omdat haar beide ouders gestorven waren. A1sof dat nog niet erg genoeg was, leek er op het Tempelhuis ook een afschuwelijke vloek te rusten. Allerlei ziekten en ongevallen troffen zowel dieren als mensen. In één jaar tijd stierven de ouders van Melia; in vijftien jaar tijd vielen vijftien paarden dood op het veld. De varkens krepeerden in hun stallen, de oogst mislukte keer op keer, de melk schuimde en gaf een kwalijke stank af. Karren verloren hun wielen, het bakhuis brandde af. Paardenknechten werden door een onzichtbare hand bekogeld met bussels hooi, een koffer dook plots op in de waterput en kon er zelfs niet met behulp van paarden uitgetrokken worden. En al deze onrustbarende verschijnselen werden veroorzaakt door de kwade hand die op het Tempeliershuis rustte. De Tempeliers aanbaden immers afgoden! Ze hadden hun schatten hier begraven en nu spookten ze rond om de mensen te verjagen, zodat de schatten voor eeuwig en één dag in hun bezit zouden blijven. Tenminste, zo wordt het hier toch verteld.’
De spokerijen bleven in het Tempelhuis bleven voortduren tot er een pastoor werd bijgehaald. Gewapend met een palmtak, wijwater en zijn dikste brevier slaagde de brave man erin de geesten tot bedaren te brengen en de rampen te bezweren. Hij verjoeg de spoken van de Tempeliers naar de verste hoeken van het land. Voortaan zouden ze ieder jaar slechts één stap dichterbij kunnen komen.
‘Melia Dumont bleef nog tot na 1850 op het Tempelhof wonen. Het werd één van de voorspoedigste boerderijen van de hele streek. Na haar dood en nadat haar kinderen getrouwd en verhuisd waren, heeft ze het domein verkocht. Maar ik was er toch niet helemaal gerust in en ik heb dat hele vervloekte spookhuis dan maar met de grond gelijk laten maken.’
Arbeiders die de vloer in de keuken van het gebouw moesten opbreken, vonden onder de stenen een diepe put. Bij nader inzien bleek het een graf te zijn. Keurig op een rijtje op de bodem van de put lagen drie mannengeraamten. Het eerste had een ransel naast zich liggen, het tweede een pijp en het derde een wandelstok die was beschilderd met vreemde motieven, waarin de nieuwe eigenaar van het Tempelhof onder meer een vogel meende te zien.
‘Was het deze soms?’ vroeg Ludwig Klein, en hij toonde de eigenaar van het Tempelhuis een tekening van de pelikaan.
‘Ja,’ zei de man verbaasd. ‘Zo’n vogel was het. Eén van mijn mannen heeft de stok nog vastgepakt en die is toen, zomaar, voor onze ogen tot stof vergaan. We riepen en schreeuwden allemaal door elkaar, want we waren erg geschrokken… Maar toch heeft iemand nog opgemerkt dat de ransel vol goudstukken zat, die erg oud leken. De kerel raapte ze op en zei dat hij ze naar het gemeentehuis zou brengen. Sinds die dag hebben we hier in Ruddervoorde niet meer over geesten horen spreken. Over goudstukken trouwens ook niet.’

In de zomer van 1916 was Kreisoffizier Ludwig Klein met het detachement soldaten dat hem ter beschikking was gesteld bijzonder actief in de buurt van de abdij van Clairefontaine. Deze abdij was gesticht in dertiende eeuw en daarna verantwoordelijk voor de bloei van het toenmalige graafschap Luxemburg. Strategisch gelegen in de vallei van de Eisch, dichtbij steengroeven en voorzien van stromend water uit een bron die de naam van Sint Bernardus droeg, werd het cisterciënzer klooster ettelijke keren verbouwd en vergroot om als centrum te kunnen dienen voor alle noden van het graafschap. Het klooster beschikte over een uitstekende medicinale plantentuin en in combinatie met het gewijde water van de bron stond het garant voor hospitalisatie op het hoogste niveau. Tijdens de Franse Revolutie werd de abdij volledig verwoest, maar in 1875 werd de prachtige neoromaanse kapel Notre Dame du Bel Amour heropgebouwd.
‘Een glasraam in de kapel draagt nog steeds de beeltenis van de krijgshaftige Hendrik de Blonde,’ schreef Kreisoffizier Klein, ‘die deelnam aan de kruistochten van het eind van de dertiende eeuw. Maar mijn aandacht werd vooral getrokken door een bijna vergeten middeleeuwse legende, waarin de mensen uit de streek zelf niet eens meer geloven. Dit verhaal vertelt opnieuw over een gouden wieg, die samen met andere schatten in een put van het nabij gelegen kasteel van Bardenburg werd gestort, om niet in de handen van de vijand te vallen.’
Samen met zijn soldaten daalde professor Klein af in de kelders van Clairefontaine en Bardenburg, ‘die ooit voor beschutting en opslagruimte zorgden, en die opgetrokken zijn uit stevige booggewelven. Wij deden er interessante, zij het lugubere ontdekkingen. Zo vonden we een volledig menselijk skelet tussen stukjes lei van wat ooit een dak was geweest. Een flink deel van de ondergrondse ruimten is gevuld met aarde en stenen. Ik ben vastbesloten niet te vertrekken voordat Clairefontaine en Bardenburg hun laatste geheimen hebben prijsgegeven.’
Professor Klein staakte de werkzaamheden pas nadat een onderaardse gang instortte en een van zijn soldaten onder het puin werd bedolven. Hij richtte zijn aandacht nu op het kasteel van Larochette, waaraan eveneens een sage verbonden was over een gouden wieg die in een put werd geworpen om niet ten prooi te vallen aan de vijand, in casu een horde Tempeliers uit Heringen. En hij ging ook in Heringen op zoek naar de gouden wieg, en in Gilsdorf. In Marville en Molhain liet hij de wijde omgeving van de plek waar opgravingen werden gedaan hermetisch afsluiten.
‘Het heeft mij altijd hogelijk verwonderd,’ berichtte Ludwig Klein aan Guido von List, ‘dat onze collegae de schat van de Tempeliers bij voorkeur in Frankrijk zoeken. Er zijn toch aanwijzingen te over om deze schat een stuk noordelijker te situeren? Een dertigtal plaatsen in de Ardennen en een even zo groot aantal in Vlaanderen eisen de eer van de geheime bergplaats op! Wie de Graal wenst te vinden, dient in eerste instantie het spoor te volgen van Gerard de Villers en zijn mysterieuze konvooi, bestaande uit drie wagens die de schat van de Tempel vervoerden. En het kortste traject om Frankrijk te verlaten en aan de jurisdictie van Filips de Schone te ontsnappen, loopt door de Champagnestreek, over het Tempeliersnest van Provins, naar de Ardennen, naar het slot van Hespérange, waar Gerard de Villers onderdak heeft gezocht én gevonden. Dit wordt bevestigd door verscheidene betrouwbare bronnen. Heeft Gerard de Villers voorlopig onderdak gevonden in het slot van Hespérange en is hij daarna verder getrokken, naar Vlaanderen? Alle mogelijke gegevens waarover we beschikken, wijzen in deze richting! En toch zijn we geen stap verder gekomen! Alsof een Turks spook de schat telkens wat dieper in de grond doet verzinken wanneer de schattenjager te dicht in de buurt komt!’
Het klinkt een beetje verongelijkt, vindt Maarten – zoals een kind klinkt dat er maar niet in slaagt goede resultaten te halen op school, en nochtans heel hard zijn best heeft gedaan…


Blog Rock 'n' Roll

Het Bloed van het Lam - Fan Box