37 - Over Maria Magdalena




37.

Het fabrieksterrein waar Maarten aan psychotherapeut Mennaert en zijn twee gorilla’s is ontsnapt, blijkt gesitueerd te zijn in Brussel Zuid. Hij brengt een slapeloze nacht door tussen de clochards die rondhangen in de buurt van het metrostation Lemonnier. De volgende ochtend verfrist hij zich zo goed en zo kwaad als dat gaat in het treinstation Brussel Zuid, waarna hij fris en monter wat geld uit de muur haalt, een kledingzaak binnen stapt en zich van kop tot teen in het nieuw stak. Het komt hem op een boel achterdochtige blikken te staan, maar daar stoort hij zich niet aan.
Heel die tijd waakt hij over de schoendoos met het Evangelie van Magdalena als over een schat van onschatbare waarde. Hij werpt regelmatig paranoïde blikken over zijn schouder, zoals hij Lena zo vaak heeft zien doen. Ten slotte neemt hij de trein naar Nederland.
Zijn ouders zijn een paar jaar geleden kort na elkaar gestorven: zijn moeder veel te jong aan kanker en kort daarop zijn vader, op reeds respectabele leeftijd, van verdriet. Germaine is de tante van zijn moeder. Zij heeft de stem van haar hart gevolgd en die stem sprak met het accent van een visboer uit Ouddorp, gelegen op het eiland Goeree-Overflakkee in Nederland. Ze heeft de brave man leren kennen omdat die tak van Maartens familie tijdens de oorlog een beetje fout is geweest en het raadzamer vond een tijdje naar Nederland uit te wijken. Zijn oudtante is met de visboer getrouwd in 1952. Het jaar daarop, in februari, braken de dijken van Zeeland, als gevolg van een stormdepressie gecombineerd met springtij. Er kwamen bijna tweeduizend mensen om in de overstromingen. Eén van de slachtoffers was de kersverse echtgenoot van tante Germaine. Ze hertrouwde nooit, bouwde de viswinkel uit tot bloeiend klein bedrijfje en toen ze de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt, verkocht ze de hele zaak aan de hoogste bieder en ging rentenieren.
Zijn oudtante Germaine hield erg veel van kinderen, maar de liefde was slechts gedeeltelijk wederzijds. Tijdens de vakanties logeerden er altijd wel een stuk of wat jongelui bij tante Germaine, die van ver of nabij met haar verwant waren. Maarten vond het er best wel prettig – zelf was hij enig kind en hier waren altijd wel wat leeftijdsgenootjes present om mee te spelen op de uitgestrekte stranden van Zeeland. Je moest alleen bestand zijn tegen een menu dat voornamelijk bestond uit vis, vis en vis en je moest er de kussen en de knuffels van tante Germaine op de koop toe bijnemen. Tante Germaine had een stoppelbaard en ze rook toen al naar oude mensen die een leven lang uitsluitend vis hadden gegeten.

Op al zijn kloppen en bellen komt geen teken van leven uit het huis van zijn oudtante Germaine. Maarten doet voorzichtig navraag bij de buren. Germaine blijkt een paar dagen voordien met een beroerte opgenomen te zijn in het ziekenhuis.
‘Nou, dat is wel goed zo,’ zegt haar buurvrouw, ‘dat jij nou toevallig op visite komt! Dan kun jij toch voor haar gaan zorgen hé?’
‘Ja,’ antwoordt Maarten, ‘maar dan zou ik hier wel moeten kunnen logeren.’
‘Hier heb je alvast de sleutel!’
In feite komt de opname van tante Germaine in het ziekenhuis hem niet zo slecht uit. Bij het laatste telefonisch contact met tante Germaine klonk ze nogal verward. Maarten vermoedde toen al dat ze stilaan begon te dementeren en hij voelt er weinig voor de situatie nog complexer te maken dan ze al is. Hij heeft rust en stilte nodig, om zich te verdiepen in de lectuur van de memoires van zijn spoorloze geliefde. Hij moet zich zien te concentreren op kwesties van leven en dood, zoals de vraag wat er in godsnaam met Lena gebeurd kan zijn, wie daarvoor verantwoordelijk is en wat hij nog zoal wil aanvangen met de rest van zijn leven. Daar kan hij een dementerend oudje niet echt bij gebruiken.

Maarten bezoekt zijn oudtante Germaine in het Weel-Bethesda Ziekenhuis op het eiland. Ze is niet bij bewustzijn en volgens de arts die haar behandelt, zak ze wellicht ook niet meer bij bewustzijn komen.
In de bibliotheek van Ouddorp verzamelt Maarten alle informatie die hij kan vinden over Maria Magdalena en bezoekt hij zijn webmail adres. Lena stond erop dat hij een Hotmail adres zou openen waarvan alleen hij het wachtwoord kende. Ze had voor zichzelf trouwens ook een webmail adres geopend. Het maakte deel uit van wat zij haar ‘levensverzekering’ noemde. Maarten had het toen nog beschouwd als één van haar paranoïde trekjes.
‘Als ze jou gaan opjagen zoals ze mij hebben opgejaagd, Maarten… Als ze je in het nauw hebben gedreven… Als je bang bent dat er mij iets zou overkomen, of ik ben bang dat ze jou willen uitschakelen, dan zeggen we gewoon dat we allebei een Hotmail adres hebben geopend, jij met een wachtwoord dat jij alleen kent en ik met een wachtwoord dat ik alleen ken… Als er jou of mij iets dreigt te overkomen, dan kan de ander altijd wereldkundig maken wat mijn leuke familie ten allen prijze wil vermijden dat bekend zou worden.’
De transcripties van zijn interviews, de scans die hij heeft gemaakt van de brieven van Ludwig Klein en van Lena’s dossier dat ze uit het huis van Mennaert hebben gestolen… hij heeft het allemaal naar haar én naar zijn webmail adres gestuurd. Het geeft hem een goed gevoel al dit materiaal nu op het wereldwijde web terug te vinden. Hij heeft nog geen gebruik kunnen of willen maken van hun ‘levensverzekering’ – niet voor zichzelf en evenmin voor Lena. Misschien is de tijd nu rijp om contact op te nemen met Jan Christiaenssens en even te horen of hij weet wat er met Lena gebeurd is en of hij er een idee van heeft waar ze kan gebleven zijn. Maar waar moet Maarten hem vinden? Jan Christiaenssens uit Brugge staat alvast niet in het telefoonboek.
Lena… Maarten mist haar verschrikkelijk. Tot op het moment dat Mennaert plots voor hem was opgedoken op de parking bij het station van Lede, heeft Maarten zijn reserves gehad bij haar geestelijke gezondheid. Hij is verliefd op haar, ontegensprekelijk. Ze heeft hem het hoofd op hol gebracht, ook met die sterke verhalen van haar. Maar onder alle verblindende hartstocht is zijn andere, nuchtere ik toch niet geheel met verstomming geslagen. Het venijnig rationeel stemmetje van de professionele scepticus is voortdurend op hem blijven inpraten: ‘Geloof haar niet onvoorwaardelijk, Maarten. Lena is labiel, suïcidaal, paranoïde. Ze is misschien niet meteen een nymfomane, maar ze gebruikt seks wel als een middel om haar doel te bereiken. Best mogelijk dat Mennaert het bij het rechte eind heeft en dat ze een pseudologisch fantaste is. Het verhaal van die familie van haar, het geheim van het geslacht Christiaenssens, de fameuze stamboom, en dat ze daarvoor moorden zouden plegen… is dat echt niet een beetje over the top? Wat al te mythomaan?’
Dat Harley & Davidson zijn huis in de lucht lieten vliegen, hoeft niet noodzakelijk te betekenen dat Lena’s verhaal wààr is. Hun actie kan perfect verklaard worden als een reactie op de inbraak en de diefstal in de praktijk van Mennaert. Het verandert ook niets aan zijn gevoelens voor Lena – hij wil haar niet alleen neuken of luisteren naar haar wilde indianenverhalen, hij wil haar ook koesteren en beschermen tegen de boze buitenwereld en weer gezond maken als ze ziek is. Maar dat Lena spoorloos blijft en Mennaert écht niet lijkt te weten wat er van haar geworden is, de hardnekkigheid waarmee de psychotherapeut op haar memoires jaagt en zijn bereidheid om daarbij over lijken te gaan… Het lijkt op een vreemde manier die geschifte, gewetenloze, levensgevaarlijke familie van haar reëler te maken. Lena lijdt niet aan pseudologia phantastica, het lijkt er veeleer op dat haar hele familie – of althans het mannelijke deel ervan – collectief ten prooi is gevallen aan een agressieve vorm van massahysterie, die ook haar psychotherapeut heeft besmet.

Maarten bestudeert de boeken die hij uit de bibliotheek heeft meegebracht, de boeken over Maria Magdalena. En hij maakt stevige wandelingen over het strand. En hij denkt aan Lena, aan Magdalena, aan Maria Magdalena. ’s Avonds voert hij in zijn verbeelding de lange gesprekken met haar, die net als de ongeremd passionele vrijpartijen zo kenmerkend zijn geweest voor hun relatie.
‘Wat kun je me vertellen over Maria Magdalena?’ vraagt hij.
Waarop Lena – of de stem in zijn hoofd die hij ‘Lena’ noemt – hem van antwoord dient: ‘Weinig. Ze volgde Jezus naar Jeruzalem en ze bleef bij hem tot het laatst, toen hij werd gekruisigd en daarna van het kruis genomen en in het graf gelegd. Haar naam valt als eerste in alle evangelieën wanneer zijn verrijzenis wordt herdacht, met Pasen. Volgens heel oude tradities werd ze begraven in Efeze.’
‘Ze zou een verleden gehad hebben als prostituée?’
‘Ja, maar harde bewijzen zijn er niet.’
‘Waarom is precies zij het prototype geworden van de boetvaardige zondares? En hoe is ze dat geworden? Waarom wordt ze zo vaak in een grot afgebeeld, naakt en met zeer lange haren? Vanwaar dat flesje met olie? Of is het parfum?’
De avond lijkt al kort na de middag te vallen. Darkness at noon. In zijn fantasie projecteert Maarten het schaduwbeeld van zijn geliefde op het zwarte scherm van de lange en eenzame winternachten van Ouddorp. Een ten zeerste platonische Lena houdt hem een robotfoto voor van Maria Magdalena, zoals die door de kerkelijke traditie wordt overgeleverd.
‘Het portret is samengesteld uit niet minder dan drie bijbelse vrouwen én een kluizenares,’ zegt Lena, en ze telt de Magdalena’s af op haar vingers: ‘Er is de Maria Magdalena van Magdala, een welvarend stadje aan het meer van Galilea. Zij werd door Johannes zeer levensecht beschreven, terwijl ze op de Paasmorgen voor dag en dauw wenend door de graftuin zwierf, hartstochtelijk op zoek naar haar heer en meester. Eindelijk vond ze hem dan toch, waarop ze aan zijn voeten viel en Jezus de gevleugelde woorden sprak: ‘Raak mij niet aan!’ – Er is de “zondares” die ooit, tijdens een deftig diner, de voeten van Jezus kuste en met haar lange loshangende haren afdroogde en zalfde. Vervolgens brak er een discussie uit, waarbij Jezus haar in bescherming nam en zei dat haar zonden haar waren vergeven, “al waren zij vele, want zij betoonde veel liefde”. – En er is de Maria van Bethanië, de zus van Lazarus, die Jezus’ voeten zalfde op bijna dezelfde manier als de zondares, en ze ook al droogde met haar haren.’
De fusie van deze drie vrouwen mag beschouwd worden als een geniale vondst van de Latijnse kerkvaders. Het imaginaire portret van die ene vrouw dat op deze wijze ontstond, was immers zo rijk dat Maria Magdalena – als complement van de altijd kuise moedermaagd – één van de belangrijkste vrouwen uit de Europese geschiedenis werd.
‘Zij zou het volk aanschouwelijk onderwijzen op de terreinen van de seksualiteit en de zonde, Maarten… Zij zou het verbodene oproepen en het tegelijk bezweren met haar tranen, haar haren, haar geur van mirre.’
Geen jasmijn, denkt Maarten. Nee. Nee, het was mirre geweest.
Haar verleden als hoer, gecombineerd met haar liefde voor Jezus, inspireerde schilders als Titiaan tot talloze boetvaardige Magdalena’s, zittend in een grot, een doodshoofd bij de hand – van oudsher het symbool van de vanitas of de ijdelheid. Deze Magdalena’s hadden de blik smachtend opwaarts gericht en hun borsten waren geheel of gedeeltelijk ontbloot. Zij stonden stuk voor stuk voor de verleidelijke, de zinnelijke, de gevallen vrouw. En zoals met zo veel kunstwerken gebeurde die het kwaad wilden afweren door het weer te geven, sorteerden deze Magdalena’s een omgekeerd effect. Zo verleidelijk werden ze geschilderd of uit steen gehouwen, dat ze de toeschouwer veeleer op onkuise ideeën brachten dan dat ze hem ervan afhielpen.
‘Ten slotte is er nog een Maria die de bijnaam “de Egyptische” droeg,’ vervolgt Lena. ‘Dat was een kluizenares die dertig jaar doorbracht in een grot in de woestijn, alleen gekleed in haar haren. Iedere dag – zo wilde het de legende – kwamen engelen uit de hemel om haar te voeden met hemelse spijzen en dranken, terwijl zij zich overgaf aan allerlei boetedoeningen. Ze kastijdde voortdurend haar mooie maar zondige lichaam, om zich geheel van de wereld te zuiveren. Ze geselde de schoonheid eraf en de vleselijke begeerte eruit. En haar legende versmolt bijna onmerkbaar met die van Maria Magdalena, de gevallen vrouw, de boetvaardige – gehuld in haar haren, gezeten in een grot, een kruikje olie bij de hand, starend naar een schedel en denkend aan de vergankelijkheid van alle aardse bezit en alle schoonheid.’
Samengesteld uit niet minder dan vier vrouwen, stond het beeld van Maria Magdalena nu helemaal klaar om zich voorgoed van een prominente plaats te verzekeren in de verbeelding van de volkeren. Vreemd genoeg begon dit beeld van Maria Magdalena zijn carrière niet in Palestina, maar in het zuiden van Frankrijk, in de Provence, vlak bij Marseille. ‘Daar kan men je nog steeds de grot van de heilige balsem wijzen, de Sainte Baume, waar zij zou hebben vertoefd en is gestorven.’
‘Hoe is zij daar terecht gekomen? Volgens eerdere legenden was ze toch gestorven bij Efeze en later overgebracht naar Constantinopel?’
‘Wel, dat zit zo… In de Legenda Aurea wordt verteld hoe Maria Magdalena samen met haar broer Lazarus en haar zus Martha en vergezeld van de Romeinse jongeling Maximinus, door de apostel Petrus op een bootje werd gezet. Zonder zeil en zonder roer stak het bootje op wonderbaarlijke wijze de Middellandse Zee over om te stranden in het Franse zuiden, in Les-Saintes-Maries-de-la-Mer. Daar zou dit gezelschap de blijde boodschap brengen, vooral dan bij de inwoners van de stad Marseille die zich massaal bekeerden en die Lazarus zelfs tot hun eerste bisschop verkozen. Maximinus werd bisschop van Aix-en-Provence en heeft zijn naam gegeven aan het plaatsje Saint Maximin. Martha bekeerde Tarascon en Maria Magdalena zette zich in voor de vrijlating van de gevangenen; zij was immers zelf ooit bevrijd geworden van zeven boze geesten die haar in de boeien hadden geslagen. Daarna trok ze zich vrijwillig terug in een grot om aan de wereld te verzaken, haar zonden uit te boeten en het eeuwig leven te winnen.’
Omstreeks het midden van de elfde eeuw – terwijl de katharen en de Tempeliers voor het eerst van zich lieten horen – ontstond in Frankrijk een ware hype. De abt van het klooster van Vézelay, dat een paar eeuwen voordien gesticht was ter ere van Maria Magdalena, beweerde dat haar beenderen ook daar begraven waren, onder de kerk van Sainte Madeleine. Een monnik zou de beenderen uit de Provence hebben meegenomen om ze uit de handen van de Saracenen te redden. Het kleine Vézelay werd al gauw overrompeld door ontelbare pelgrims, onder wie opvallend veel vrijgelaten gevangenen. Van hun boeien werd een ketting gesmeed die het hele koorhek omspande. Pas in 1265 werden de beenderen van Maria Magdalena effectief ontdekt in Vézelay, toevallig, onder het hoogaltaar van het klooster. Nauwelijks dertig jaar later doken ze alweer op in Saint Maximin, vlak bij de grot Sainte Baume.
Maria Magdalena… Door Lukas liet ze het thema van de liefde op de agenda zetten. En wel op een zo emotionele, expliciete en lichamelijke wijze dat Simon de Farizeëer namens de hele beschaafde wereld uitriep: ‘Dit is ongepast en ongehoord!’
Door Johannes liet ze haar kritiek weerklinken op de rekenende en berekenende menselijke samenleving, door een compleet vermogen te verspillen aan de zalving van Jezus. Waarop Judas namens al Jezus’ volgelingen uitriep: ‘Dit is ongepast en ongehoord!’ – Nochtans handelde ze vanuit dezelfde liefdesgedachte die ook de leerstellingen van Jezus kenmerkte.
Nog steeds gemotiveerd door de liefde en altijd weer de liefde zou zij later de enige zekerheid in dit leven overhoop gooien, met de boodschap dat het graf leeg was en dat Jezus verrezen was. ‘Ongepaste, ongehoorde vrouwenpraat!’ riepen de apostelen in koor. ‘Dood is dood, dat weet toch iedereen?’
Ach zijn Maria Magdalena… ‘Hoeren en tollenaren zullen u voorgaan in het koninkrijk der hemelen,’ zei Jezus al. Want ogen vervuld van liefde zijn niet blind, maar zien verder dan de ogen van het verstand. En het hart heeft zijn redenen, die de rede niet kent…



Blog Rock 'n' Roll

Het Bloed van het Lam - Fan Box