41 - Otto Rahn: Van Rennes-les-Bains tot Notre-Dame de Marceille


41 .


‘Op een dag zat Tita zo’n beetje te spelen met een van die verklaringen van Boudet, waar ik geen raad mee wist,’ zei Rahn. ‘Op pagina 274 van zijn boek heeft hij het over de naam van een ijzerhoudende koudwaterbron: de Gode. Dat zou afgeleid zijn van het Engelse to goad, dat prikkelen, bezielen, aansporen betekent. Het water van de bronnen zou geneeskrachtig zijn, vandaar. Tita snapte maar niet wat Boudet daar wérkelijk wilde mee zeggen, tot ze van to goad iets anders maakte: to go at… Maar wààr moest ze dan naartoe gaan? Op dat woordje volgde niks meer. Het hoofdstuk was ten einde en het volgende deel behandelde een andere geneeskrachtige bron – die van Notre-Dame de Marceille, een plaatsje in de streek van Rennes-les-Bains en Rennes-le-Château. Tita zat een tijdje te staren naar de titel van het nieuwe hoofdstuk… Notre-Dame de Marceille… En toen was ze op slag klaarwakker. Want stel dat Boudet hier letterlijk bedoelde: go at Notre-Dame de Marceille! Stel dat hij, sluw als een vos, de naam van die plek voluit had geschreven, zonder ditmaal een codewoord te gebruiken!’
Na het ontbijt namen ze de wagen van Klein en reden naar de kerk van Notre-Dame de Marceille. Het was opgehouden met regenen, maar er stond een harde wind.
Rahn wees naar de muur bij de kerk, daarboven lag een park. ‘Straks zullen we daar ook een kijkje nemen. Alles wat u hier ziet, is van belang. Dit hele landschap speelt een rol in de geheime boodschappen van Boudet.’
De kerk zelf was een somber gebouw, van oudsher een bedevaartsoord, voorzien van een miraculeuze bron.
‘Merkt u niets speciaals op?’ vroeg Rahn.
Klein schudde het hoofd.
‘Tijdens haar eerste bezoek zag Tita hier ook niets dat haar een stap verder kon helpen, maar toen…’
Rahn liep weer naar buiten, in de richting van de miraculeuze bron. Ze lag aan de rand van de bedevaartsweg – de Voie Sacrée of Heilige Weg – die rechts van de grote weg afdaalde naar een mooi oud bruggetje. De bron zelf bleek een putje van slechts enkele centimeters diep te zijn. Ze bezat een heus heiligdom en een Mariabeeld dat versierd was met verse bloemen.
Rahn bleef staan en wees naar een grote cipres. ‘Wat ziet u daar?’
‘Een cipres.’
‘En wat nog?’
Klein kneep zijn ogen tot spleetjes. ‘Een steen?’
‘Laten we eens van dichterbij een kijkje gaan nemen,’ zei Rahn.
Op het eerste gezicht was het alleen een onschuldige gedenksteen met een smeedijzeren kruis, die daar aan de kant van de bedevaartsweg stond. ‘Maar u moet eens lezen wat erin gebeiteld staat,’ zei Rahn.
Klein las de tekst hardop:

ICI EST MORT
GUSTAVE VISON
SE RENDANT
A.N.D
DE MARCEILLE
LE 2 MAI 1886/

PRIEZ POUR LUI.

‘Hier is gestorven Gustave Vison, terwijl hij zich naar…? A.N.D.? Wat betekent dat?’
‘In normale omstandigheden zou dat à Notre Dame moeten betekenen,’ antwoordde Rahn. ‘Maar zoals u ziet, staat er geen accent op de A en geen streepje tussen de N en de D. Er volgt ook geen punt achter de D. Nu ja, een oppervlakkige waarnemer zal hooguit concluderen dat de steenhouwer een beetje verstrooid was, nietwaar?’
‘Hier is Gustave Vison gestorven, terwijl hij zich naar Notre-Dame de Marceille begaf, op twee mei achttien zesentachtig. Bid voor hem.’
‘Valt er u voor de rest niets op?’
‘Achter het jaartal staat een streepje.’
‘De eerste gedachte die bij Tita opkwam, was dat deze Gustave Vison toch wel een bijzondere figuur moest geweest zijn. Dit is immers geen gewone grafzerk, maar een gedenksteen, die de plaats aanwijst waar die brave pelgrim in elkaar is gezakt. Waarschijnlijk is hij hier bezweken aan een hartaanval of iets dergelijks. Maar zou men zo’n dure gedenksteen plaatsen voor een onbelangrijk iemand? Nee toch! En omdat Tita deze plek bereikt had door het ontcijferen van een code van Boudet, bleef zijn geheimschrift door haar hoofd spoken. Voor ze het wist, was ze gestart met het ontcijferen van de tekst op de steen, volgens het systeem van Boudet. Hebt u een stukje papier?’
Dieter Klein scheurde een velletje uit zijn notitieboek en gaf Rahn het stompje potlood dat hij altijd bij zich had. In een snel tempo, tong tussen de tanden, schreef Rahn de tekst van de gedenksteen op het blaadje papier. ‘Als men deze Franse regeltjes in het Engels uitspreekt, de taal waarin de code van Boudet gesteld is, krijgt men het volgende…’
Hij schreef er de Engelse zinnetjes onder en voegde er de vertaling aan toe:

ICI EST MORT
I SEE EAST MORE
IK ZIE IN HET OOSTEN MEER

GUSTAVE VISON
JUST HAVE A VISION
GA MAAR EENS EEN KIJKJE NEMEN

SE RENDANT
SEE RENT END
ZIE SCHEUR OP HET EIND

A.N.D
AND
EN

DE MARCEILLE
THE MARK SEALED
HET VERZEGELDE MERKTEKEN

LE 2 MAI 1886/
ELL TO FIVE (1886)
MEET OP BASIS VAN VIJF

‘Het klonk nog steeds als wartaal,’ zei Rahn, ‘maar anderzijds… leek het allemaal op een vreemde manier te kloppen. Mei was de vijfde maand, 1886 was ook het jaar waarin het boek van Boudet verscheen. Toeval of…? Wat werd bedoeld met de scheur op het eind? Werd daarmee verwezen naar het verticale streepje achter het jaartal? Moest op deze manier de aandacht getrokken worden op het jaar 1886? Kwam daarbij – maar daar zijn we pas later achter gekomen – dat de naam Vison in Frankrijk gewoon niet bestaat. Ik heb er zelfs een boek over Franse familienamen voor geraadpleegd!’
‘Volgens u heeft Boudet hier de hand in gehad? Hij heeft de steen hier laten plaatsen en hij heeft hem voorzien van nieuwe, gecodeerde aanwijzingen?’
‘Zo is dat! Want wat bevindt er zich in het oosten? Het park en de muur bij de kerk van Notre-Dame de Marceille… En tegen die muur staat het standbeeld van de heilige Vincentius a Paulo. Tita vroeg zich af of onder het voetstuk van dat beeld de toegang lag tot een of andere geheime gang. Maar er viel daar nergens een opening te bekennen. Teleurgesteld keek ze op naar het beeld van Sint Vincentius. De heilige beantwoordde haar blik met een milde blik, begrijpende glimlach. Had ze zich vergist? Had Sint Vincentius helemaal niets met de geheime boodschappen van Boudet te maken? Het leek bijna onmogelijk, want tot dusver klopte alles te goed om toeval te kunnen zijn. Toen heeft Tita mij op de hoogte gebracht van haar ontdekking.’
‘U hebt contact genomen met generaal Wolff en hij heeft u naar Notre-Dame de Marceille gestuurd om het mysterie op te helderen… Wat u vervolgens in een handomdraai hebt klaargespeeld. U bent waarlijk een genie, Herr Rahn.’
‘Kijk, Obersturmführer Klein,’ zei Rahn gedecideerd. ‘Het is nergens voor nodig dat wij op een vriendschappelijke basis met elkaar zouden omgaan. Ik weet dat u mij niet goed gezind bent en dat u meent daar verscheidene redenen voor te hebben. Maar al heeft de Reichsführer u dan hierheen gestuurd als mijn waakhond, wij hebben dezelfde graad en ik ben u geen gehoorzaamheid verschuldigd. Laten we deze kwestie dus professioneel afhandelen.’
Er speelde een ondoorgrondelijke glimlach om de lippen van Obersturmführer Klein. Hij liet de gespannen stilte een tijdje duren en zei toen neutraal: ‘Ik ben geheel en al tot uw beschikking, Obersturmführer Rahn.’
‘Uitstekend,’ zei Rahn. ‘Samen met Tita heb ik urenlang aan de voeten van de heilige Vincentius gezeten…’
‘Ja, daar zegt u zoiets,’ viel Klein hem al opnieuw in de rede. ‘Waar is uw vriendin eigenlijk gebleven?’
‘Ze verkoos het niet aanwezig te zijn wanneer de rechterhand van de Reichsführer hier arriveerde,’ zei Rahn. ‘Zoals u ongetwijfeld weet, is zij geen groot voorstander van de politieke koers waarvoor Duitsland gekozen heeft.’
Klein keek Rahn strak aan, maar onthield zich van iedere commentaar.
‘Op zeker moment heb ik, zittend aan de voet van het standbeeld, een ingeving gekregen,’ vervolgde Rahn. ‘Opeens leek het of de heilige Vincentius tegen mij spràk... Ik herinnerde mij een reeks codewoorden van Boudet, die de pastoor op zijn gebruikelijke, schijnbaar absurde manier had verklaard. In de plaatsnaam Vardulles zag hij de Engelse wooren to ward en hull, in soldure de woorden soul en to dure. Ik begon de reeks nu met het systeem Boudet te decoderen en verkreeg zo een samenhangende tekst: “Warder of the hill, a soul to dure. Look and see its hand shows down to track…”’
Rahn schreef de volledige tekst op de achterkant van het velletje papier dat Klein hem had gegeven:

Wachter van de heuvel,
een vereeuwigde ziel.
Kijk en zie,
zijn hand wijst neerwaarts naar het spoor.
Zoek nu het einde,
kijk naar de ronding,
naar het dal dat grenst aan de grote vlakte.
Klim tot waar je blikveld reikt.
Overtuig je ervan dat het de derde macht van vijf is,
van rand tot ravijn.
Buig en zie post.

‘Een standbeeld staat als een wachter op een heuvel,’ zei Rahn. ‘Het overschouwt de hele streek. En een heilige is beslist een vereeuwigde ziel. Nu moeten we kijken en zien, want zijn hand wijst neerwaarts naar het spoor…’
Rahn liep in de richting die de hand van de heilige Vincentius aanwees. ‘Met de ronding wordt de muur bij het park bedoeld, die een beetje gebogen is. En vijf tot de derde macht is 125. Vergeet ook niet dat de gedenksteen van Vison ons al vertelde dat we moeten meten op basis van vijf. Vertrekkend van de hand van de heilige Vincentius, moeten we dus 125 meter afleggen, langs een lijn die loopt over de muur en eindigt bij een ravijn…’
Ze stapten ongeveer 125 meter in de aangegeven richting, langs de gebogen muur, waarachter een dal bleek te liggen dat grensde aan een grote vlakte. Op ongeveer 125 meter van de rand van de muur lag een ravijn.
‘Hier moeten we nu uitkijken naar een post,’ zei Rahn. ‘Wat dat verder ook mag betekenen…’
Van een pad, een post of een toegang tot een geheime berplaats viel geen spoor te bekennen. Het standbeeld van Vincentius a Paulo werd vanop deze plek aan het oog onttrokken door welig tierend struikgewas en bomen. Aan de hand van de grote cipres die daar in de buurt groeide, slaagde Klein erin de steen van Gustave Vison te situeren. ‘Buig en zie post,’ luidden de laatste woorden van de ontcijferde boodschap. Maar hij zag niets belangwekkends.
‘Ik liep langs de rand van het ravijn om die post ergens in de diepte te ontwaren,’ zei Rahn, ‘maar dat was een hopeloze onderneming. De braambossen benamen me toen ook al het uitzicht. Er zat niets anders op dan me een weg door de wildernis te banen en tussen de stenen, de struiken en de bomen af te dalen tot beneden in het ravijn.’
Daar stroomde een beekje, zag Klein. Rahn begon aan de afdaling, op de voet gevolgd door Klein. Ze liepen een tijdje naast het beekje in de bedding van het ravijn. Net voorbij een scherpe bocht lag een zandheuveltje met een onnatuurlijk spitse top, begroeid met laag struikgewas en omringd door hoge eiken.
‘Is dat de post?’ vroeg Klein. ‘De spitse vorm doet denken aan een grafheuvel en is duidelijk door mensenhanden gemaakt. Ligt hier die geheime kelder van u?’
‘Het is mijn geheime kelder niet,’ antwoordde Rahn korzelig. ‘En dat is volgens mij de post, ja. Maar het is nog altijd niet het eindpunt van onze tocht. Integendeel, het is het laatste vertrekpunt… Boudet had immers nog een paar andere codewoorden in petto voor de speurder. Vindomage bijvoorbeeld. Nine to do to marsh…’
‘Negen passen tot bij het moeras?’
‘Niet vergeten te meten op basis van vijf, Obersturmführer.’
‘Dan moeten we het moeras vinden op 45 meter van deze plek?’
Rahn begon zijn passen te tellen. Ongeveer 50 meter verder stootten ze op een drassige modderpoel. Een paar passen verder zag Klein een geul in de aarde van ongeveer een halve meter groot.
Rahn begon de dode takken op te ruimen die er gedeeltelijk overheen lagen. ‘Er zat een gang onder, die voor een stuk was ingestort. In die gang vond ik een gleuf, die verder liep onder een deksteen.’
Rahn liet zich in de geul zakken… en was verdwenen. Klein volgde zijn voorbeeld. Via de geul kwam hij op een berg puin terecht die in het onderaardse gangetje lag. Het gangetje was amper breed genoeg om een volwassen persoon door te laten.
Rahn stond even verder, gebukt. Hij had een petroleumlamp aangestoken, die daar aan de muur hing. ‘Dit is de geheime plek waar heel dat zonderlinge boek van Boudet in werkelijkheid over handelt. Dit is… Volcae… To vault, to cow… De gewelfde kelder… Kom maar eens kijken.’
Klein stapte tot bij Rahn, die een pas terug deed, zodat Klein zijn plaats kon innemen. Klein nam de lamp van Rahn over en toen zag hij het ook: het ronde gewelf, gebouwd met natuurstenen. Het overkoepelde een vierkante ruimte van ongeveer drie vierkante meter en vele meters diep. De vloer van de kelder was bedekt met losse stenen. Er was geen trap, maar er hing wel een touwladder klaar.
Ze daalden af in de mysterieuze gewelfde kelder, waarover geen enkel historisch of oudheidkundig werk ook maar met één woord repte. Niemand was op de hoogte van het bestaan van deze ondergrondse ruimte. Niemand, behalve juffrouw Gadal, Rahn, Klein en hun superieuren.
Uit de muren waren heel wat stenen verdwenen. De regen had ook een grote hoeveelheid aarde door de opening naar binnen gespoeld. Vlak onder de plek waar het gangetje abrupt eindigde, zat een ijzeren klem, waarschijnlijk bedoeld om een zware kabel aan te verankeren. In het gewelf waren sporen te zien van een inscriptie; alleen de letters A, R en D waren nog leesbaar. In de achterste muur bleek een soort van doorgang te zitten, die ongeveer een halve meter breed en meer dan een meter hoog was. Dit tweede gangetje leidde naar een tweede, kleinere kelder.
‘Kijk,’ zei Rahn. ‘De zoldering van de tweede kelder is bekleed met marmer. Gepolijste rode marmer. De eerste kelder bezit niet de minste versiering, maar zelfs het gangetje naar deze tweede kleinere kelder is afgedekt met gepolijste rode marmerplaten, die men gewoonlijk alleen aantreft in de ruïnes van Romeinse villa’s, als een teken van weelde.’
Rahn had een groot aantal foto’s genomen in de kelder en hij had een brok mortelspecie uit de kelder laten ontleden door een archeoloog uit de streek, zonder er voor de rest bijzonderheden over te verstrekken. De man was formeel geweest: de kelder moest in het begin van onze tijdrekening gebouwd zijn. Rahn had hierover omstandig verslag uitgebracht bij generaal Wolff, die de bevindingen van zijn omstreden beschermeling onverwijld had besproken met de Reichsführer. Himmler had zich op zijn beurt dadelijk in contact gesteld met Obersturmführer Dieter Klein, de zoon van de geleerde die hij zo bewonderde en die enige jaren geleden in Brugge werd vermoord, terwijl hij een nieuw spoor volgde in zijn niet aflatende queeste naar de Graal.
‘In Notre-Dame de Marceille was ooit een Romeins garnizoen gevestigd,’ zei Rahn. ‘Waarschijnlijk werd de kelder gebouwd door Romeinse soldaten en misschien diende het garnizoen zelfs om de inhoud van de kelder te bewaken. Er is geen twijfel aan dat dit onderaardse bouwwerk een of ander belangrijk doel gehad moet hebben.’
Voordat hij naar Monthaut reisde, had Klein de ontdekking van Rahn nog besproken met een archeoloog van Ahnenerbe. Alle beschikbare gegevens wezen op een enorme ondergrondse brandkast, die men dank zij een vernuftig systeem van sluizen onder water kon zetten. Rahn had sporen gevonden van wat ooit ‘pijpleidingen’ geweest konden zijn, naar de rivier de Aude, die in de onmiddellijke nabijheid van de kelder lag. Als men deze ‘pijpleidingen’ in tijden van nood ergens opende, stroomde de kelder vol water en kon de vijand de opgeslagen schatten niet bereiken…
‘Maar natuurlijk was het Boudet niet te doen om een schat van zilver of goud,’ zei Rahn. ‘In zijn boek en in de decoderingen heb ik geen enkele aanwijzing in die richting gevonden. Nu vraag ik u, Obersturmführer Klein: wat kan er dan wél zo belangrijk geweest zijn, dat pastoor Boudet het terugvinden van de kelder zo ingewikkeld heeft gemaakt?’

De grote tafel in de zitkamer van het landhuis dat gehuurd werd door Ahnenerbe en dat nu dienst deed als uitvalsbasis van Otto Rahn, was bezaaid met volgekrabbelde velletjes papier. Te midden van een hoop paperassen prijkte het boek van Boudet, La Vraie Langue Celtique.
‘Boudet heeft in geheimschrift verschillende routes beschreven, die allemaal naar dezelfde plek leiden,’ zei Rahn. ‘Wij hebben slechts één van de gecodeerde wegwijzers ontcijferd, maar als je weet waar je moet eindigen, wordt het een stuk makkelijker om ook de andere boodschappen op te lossen.’ Hij viste een papiertje van een stapel en gaf het aan Klein.
‘De te volgen weg mondt uit bij de deur, waar het hoofd van de koning binnen bereik ligt. Daar bevindt zich de schuilplaats,’ las Klein. Hij trok zijn voorhoofd in rimpels. ‘Het hoofd van de koning? Welke koning bedoelt hij?’
‘Ik denk dat het geheim van Boudet alles te maken heeft met het hoofd van de Verloren Koning,’ zei Rahn, en hij schoof een ander papiertje in de richting van Klein.
‘Om gemakkelijk bij het einddoel en het reliekschrijn te komen, moet men de weg naar het ravijn volgen. De hele zaak komt erop neer het geheiligde graf te vinden.’ Klein keek op. ‘En wie bedoelt Boudet dan met de Verloren Koning?’
‘Eén van de troonopvolgers uit het geslacht van de Merovingen was Dagobert II. Hij werd in het jaar 679 vermoord. Op dat ogenblik waren er nogal wat intriges aan de gang tegen de Merovingen. Nochtans bleef dit koninklijk geslacht nog een tijdje aan de macht. Tot Pepijn de Korte in 751 een staatsgreep pleegde, die de Merovingen voorgoed van het toneel verdreef, ten gunste van de Karolingen. Volgens sommigen zou de omgebrachte koning Dagobert II een zoon gehad hebben. Deze Sigisbert IV zou naar het zuiden van Frankrijk gevlucht zijn om te ontsnappen aan de moordpartijen die door de vijanden van de Merovingen werden aangericht. Men noemt hem wel eens “le rejeton ardent”, de vurige telg. Of men spreekt van “le prince Ursus”.’
Klein knikte nadenkend. Hij had het verhaal ook wel eens gehoord. Volgens de meeste historici had Sigisbert of Ursus of hoe men hem ook mocht noemen nooit bestaan. Toch waren er nog altijd adellijke families in Frankrijk die beweerden dat zij afstammelingen waren van Sigisbert, de zoon van de vermoorde Dagobert. De achterliggende gedachte was natuurlijk dat de Fransen beter af zouden zijn met een monarchie dan met hun republiek, en dat de legitieme koning van Frankrijk een Merovinger hoorde te zijn. Boudet leefde in voor Frankrijk politiek woelige tijden. De republiek was nog lang geen vaste verworvenheid en wie met de nodige documenten kon aantonen dat hij afstamde van het koningshuis der Merovingen, die op een onwettige manier werden onttroond door de Karolingen, maakte een ernstige kans om het nog ver te schoppen in de politiek. Vooral als men, in een tweede stadium, erin slaagde te bewijzen dat de Merovingen op hun beurt weer afstamden van Jezus Christus.
Klein kon het niet over zijn hart krijgen het ook hardop te zeggen, maar hij was behoorlijk onder de indruk van de ontdekking die Otto Rahn gedaan had. Rahn had niet overdreven, toen hij rapporteerde dat men rekening moest houden met de mogelijkheid dat hij de bergplaats van de Graal had gevonden. Reichsführer Himmler had Klein een tweede opinie gevraagd. ‘Er dient vastgesteld te worden,’ had hij gezegd, ‘of de mogelijkheid bestaat dat dit koningsgraf, deze kelder uit het begin van onze tijdrekening, ook het graf van Jezus Christus kan zijn geweest.’
‘Wat dacht Boudet over deze kwestie?’ vroeg Klein nu.
‘Boudet sprak er zich niet over uit. Hij schijnt aangenomen te hebben dat Jezus Christus wel degelijk gestorven is aan het kruis en dat Maria Magdalena hier in het Franse zuiden alleen zijn nageslacht in veiligheid heeft gebracht. Het koningsgraf dat hij ontdekt had mocht dan dateren uit het begin van onze tijdrekening, hij bracht het voor de rest alleen in verband met Sigisbert, de Verloren Koning.’ Rahn toonde Klein weer een ander papiertje en las het zelf voor: ‘Wees in staat om de inhoud van deze tekst te achterhalen. Wat ik zorgvuldig bescherm, voert tot het rijk van de beer, de verborgen S. Ardant… Ursus is Latijn voor beer en Sigisbert noemde men al eens “le rejeton ardent”, in deze tekst aangeduid als S. Ardant. Het woord staat ook bijna letterlijk zo in het boek van Boudet. Kijk, hier… Sardan.’
‘De vervaagde inscriptie op de keldermuur,’ mompelde Klein. ‘De letters A, R en D… Best mogelijk dat de ontbrekende letters E, N en T zijn.’
‘En dan zijn er nog de rode marmerplaten… Rood is de koningskleur. Rood marmer wordt vaak aangetroffen in koningsgraven.’
Obersturmführer Klein was nog niet geheel overtuigd. ‘Hoe wist Boudet, de eenvoudige pastoor van Rennes-les-Bains, het klaar te spelen in een meer dan vijfentwintig kilometer verderop gelegen parochie een gedenksteen te plaatsen voor een dode pelgrim die nooit had bestaan?’
‘Boudet moet de steun gekregen hebben van machtige en kapitaalkrachtige heren achter de schermen…’ zei Rahn.
Dieter Klein dacht aan het netwerk van satanistische kringen, dat door het onderzoek van zijn vader was blootgelegd. De rol die een aantal eenvoudige pastoors van het fin de siècle daarin hadden gespeeld: Saunière, Van Haecke… en Henri Boudet?
‘Wat denkt u erover?’ vroeg Klein.
‘Boudet behoorde ongetwijfeld tot een geheim genootschap dat in alle stilte werkte aan het herstel van het koningshuis der Merovingen,’ antwoordde Rahn zonder een spoor van aarzeling. ‘Om een nieuwe, wettige koning van Frankrijk naar voor te schuiven, moesten ze ten eerste bewijzen dat Sigisbert IV wel degelijk had bestaan, en ten tweede dat hun mannetje een afstammeling was van de Verloren Koning. Daarom was het graf van Sigisbert IV zo belangrijk. Misschien bevatte het niet alleen een reliekschrijn met zijn hoofd, maar ook allerlei oorkonden die onomstotelijk bewezen dat het wel degelijk om koning Ursus ging. Misschien bevatte de kelder zelfs een stamboom, die niet alleen de afstammelingen maar ook de voorzaten van Sigisbert IV aanwees…’
Klein glimlachte, maar dat veranderde niets aan de uitdrukking op zijn gezicht. In zijn hele houding lag ook nog steeds dezelfde dodelijke ernst. ‘U bent een voorzichtig man, Obersturmführer Rahn. Zelfs nu nog houdt u een slag om de arm.’
Rahn haalde de schouders op. ‘Het enige dat wij met zekerheid weten, is dat de erfgenamen van Sigisbert er alles aan hebben gedaan om de wereld te laten geloven dat Sigisbert nooit heeft bestaan. Ze waren bang dat zij anders, net als Dagobert, omgebracht zouden worden. Als Sigisbert nooit werd geboren, was hij ook niet gestorven en dan mocht zijn graf natuurlijk in geen geval gevonden worden. Een oude Romeinse bankkluis vormde een geschikt toevluchtsoord. Sigisbert, zijn graf, zijn afstammelingen losten als in rook op. Zolang een wettige erfgenaam van de Merovingen gevaar liep door een ander koningshuis opgejaagd, vervolgd en vermoord te worden, zou men het geheim bewaren. Zodra het tij keerde, zou de nieuwe Merovingenkoning zich bekend maken…’
‘Maar het tij keerde niet…’
‘Nee,’ zei Rahn met een diepe zucht. ‘Het tij keerde niet…’




WWW.SQUIDOO.COM/PATRICK-BERNAUW-ONLINE

Blog Rock 'n' Roll

Het Bloed van het Lam - Fan Box