42 - Het Mysterieuze Einde van Otto Rahn

42 .

Henri Boudet had zijn grafsteen vooraf besteld en zorgvuldig laten ontwerpen. Op de zerk had hij een allerlaatste boodschap achtergelaten. In de rechter benedenhoek was een gesloten boek gebeiteld, met de inscriptie: ‘I.X.O.E.’ Boudet had zijn geweldige codesysteem in het Engels uitgewerkt. Ook de Franse tekst op de gedenksteen van Vison moest in het Engels uitgesproken worden. Hetzelfde gold voor deze mededeling.
‘I X’ed All In End,’ zei Otto Rahn. ‘Ik heb alles in het einde gecodeerd. Met dat einde bedoelde hij waarschijnlijk de slothoofdstukken van zijn krankzinnige boek, waarin we inderdaad veruit de meeste sleutelwoorden terugvinden…’
‘Werkelijk een fascinerende geschiedenis, Herr Rahn,’ zei Obersturmführer Klein, weer met die vage suggestie van een glimlach om zijn mond.
De intelligente ogen van Otto Rahn bleven lang rusten op de jongere man naast hem, van wie het afgetrainde lichaam gemaakt leek om in een uniform gestoken te worden. ‘Hoe moet het nu verder?’ vroeg hij ten slotte.
‘Dat,’ antwoordde Klein na een lange pauze, ‘is een beslissing die aan de Reichsführer toekomt. U hebt nog steeds geen attest van raszuiverheid voorgelegd. Generaal Wolff tilt er duidelijk niet zo zwaar aan, maar de Reichsführer wenst in uw geval geen enkel risico te nemen. Misschien dat hij bereid zou zijn een en ander door de vingers te zien, als er uw voorgeschiedenis niet was en als uw ontdekking niet van een té groot belang zou zijn voor het Reich om ze op de naam van een jood te schrijven.’
Klein zag met genoegen welk effect zijn woorden sorteerden. Rahn sloeg de ogen neer. Zijn adamsappel wipte nerveus op en neer.
‘Het behoorde tot mijn opdracht enig onderzoek naar uw persoon te verrichten,’ ging Klein meedogenloos verder. ‘In Berlijn hebt u veelvuldig artistieke kringen van communistische signatuur gefrequenteerd. Sommige leden van de SA, die tot uw vriendenkring behoorden, gingen ervan uit dat zij lid waren van een arbeidersbeweging, die op kortere termijn dan de sociaal-democraten het nationale, maar ook het wàre socialisme zou verwezenlijken. Weet u nog? Maar goed, wij hebben allemaal recht op een dwaling en u bent altijd een dromer geweest. Een dromer en een dwaas, Herr Rahn, het spijt me u dat te moeten zeggen. Maar onnoemelijk veel erger is, dat uw moeder Hamberger heet, net zoals haar vader uiteraard… En dat de naam van diens echtgenote Cucer was. Uw moeder is met andere woorden een volbloed jodin en uzelf bent halfjoods. Uw jeugdvriend Karl Wolff heeft u steeds een hand boven het hoofd gehouden, maar hier komt zelfs de stafchef van de Reichsführer SS niet meer mee weg.’ Klein haalde een omslag uit zijn borstzak. ‘Ik heb de vrijheid genomen alvast een ontslagbrief voor u op te stellen. Hij is gericht aan uw vriend generaal Wolff.’
Klein overhandigde de omslag aan Rahn, die hem opende en zijn ogen snel over de getypte regels van de brief liet glijden:

Gruppenführer,

Ongelukkigerwijs moet ik u vragen bij de Reichsführer SS aan te dringen op mijn onmiddellijk ontslag uit de SS. De redenen die mij deze beslissing hebben doen overwegen en mij tot dit besluit hebben geleid, zijn van een zo ernstige aard dat ik ze u niet anders dan mondeling kan uiteenzetten. Met deze bedoeling zal ik eerstdaags naar Berlijn komen en u om belet vragen.

Heil Hitler!
Otto Rahn, SS-Obersturmführer

Klein schroefde de dop van zijn vulpen en gaf ze aan Rahn. ‘Het is nu mijn taak u te begeleiden naar Berlijn en er zorg voor te dragen dat de Reichsführer in alle rust en sereniteit een oordeel kan vellen over u en uw werk,’ zei hij. ‘Alleen op deze manier kan ik er zeker van zijn dat generaal Wolff de hele kwestie niet weer op zijn manier regelt. Wat de Reichsführer nu ook beslist, alles zal administratief perfect in orde zijn. Desnoods kan uw ontdekking dan op mijn naam geschreven worden.’
Er viel geen enkele emotie af te lezen van het gezicht van de SS-officier. Rahn las de brief nog eens door. ‘En als ik dit doodvonnis weiger te tekenen? Want dat is dit vodje toch, nietwaar? Een doodvonnis?’
‘Dan zal ik niet aarzelen het nodige te doen,’ zei Klein.

Dieter Klein escorteerde Otto Rahn naar Frankfurt. Gedurende een drietal dagen werd er geen woord gesproken in de wagen. Ze deden er ook het zwijgen toe in de hotelkamers die ze deelden. Alles was gezegd. Dieter Klein dacht aan de glorieuze toekomst die hem wachtte, Otto Rahn aan het verleden en de mensen en dingen die hij daar achterliet.
Terwijl Rahn achterbleef in de hotelkamer die Klein voor hem geregeld had, vroeg deze laatste bij generaal Karl Wolff, stafchef van Heinrich Himmler, een onderhoud aan met de Reichsführer SS. Achter gesloten deuren bracht Klein omstandig verslag uit van de ontdekking van het koningsgraf bij de Aude. Himmler luisterde geconcentreerd naar de Obersturmführer, zonder hem ook maar één enkele keer te onderbreken.
‘Het is bekend dat Otto Rahn een alcoholprobleem heeft,’ zei de Reichsführer, toen Klein was uitgesproken. ‘Hij werd daarvoor reeds gestraft. Dichterlijke zielen zoals Otto Rahn er één is, krijgen vaak af te rekenen met depressies. Om er weer bovenop te komen, plegen ze al eens lange wandelingen te maken in de vrije natuur. Dan trekken zij het gebergte in, soms met meer alcohol in het bloed dan goed voor ze is, en vriezen ze jammerlijk dood.’

Dieter Klein had zijn jeugd doorgebracht in Kufstein, een stadje in het noorden van Tirol. In het midden van de stad stond de Kufsteiner Vesting, het verdedigingsbolwerk dat destijds de staat Tirol moest beschermen tegen zowel de Beieren als Napoleon Bonaparte. Maar ondanks de dikke muren en de vele kanonnen – waaronder twee hele grote – werd Kufstein meerdere malen ingenomen. Delen van de oude stad vielen ongetwijfeld pittoresk te noemen. Dwars door de stad stroomde de Inn die altijd een groene kleur bezat, behalve als er meer water dan gewoonlijk uit de bergen kwam: dan kleurde de immer groene Inn bruin. De stad werd wel eens geroemd als ‘de parel van Tirol’, maar dat vond Klein een beetje te veel eer. Aan de oostelijke zijde werd ze begrensd door het gebergte van de Wilde Kaiser, dat Klein vrij goed kende omdat hij er als jongeman vaak had rondgezworven.
‘Ik zou het op prijs stellen,’ zei Rahn met een krop in de keel, ‘als u mij in staat stelde de eer aan mezelf te houden.’ Het waren zowat de eerste woorden die hij gesproken had sinds ze de grafsteen van Henri Boudet hadden bezocht.
Klein knikte tevreden. Wellicht had zijn vriend generaal Wolff hem een cyaankalipil bezorgd. Himmler had er geen twijfel over laten bestaan: het was van het grootste belang dat het een ongeluk of een zelfmoord leek. De SS moest in deze kwestie volkomen buiten schot blijven. Op deze manier zou de Reichsführer zijn zin krijgen, zonder dat Klein een vinger hoefde uit te steken naar Rahn. Hij schrok er niet voor terug een mens te doden als dat nodig was – en al helemaal niet als het om een Untermensch ging als Otto Rahn –, maar hij was er reeds achter gekomen dat het niet tot zijn favoriete bezigheden hoorde. Hij was geen sadist.
Rahn liet zijn bagage achter in het pension waar Klein een kamer voor hem had geboekt. Doof voor de protesten van de pensionhouder, trok hij in de vroege morgen van 13 maart 1939 moederziel alleen het gebergte van de Wilde Kaiser in. Met een fles Schnapps in zijn rugzak en met een cyaankalipil bij de hand, veronderstelde Klein, die op een veilige afstand rustig de gebeurtenissen afwachtte.
De volgende ochtend was Otto Rahn nog steeds niet teruggekeerd. De brave pensionhouder was in alle staten. ‘Ik heb meneer Rahn nog zo gewaarschuwd! Het was gekkenwerk nu het gebergte in te trekken! Op de flanken van de Wilde Kaiser is de lente nog niet ingetreden! En die sneeuwstormen van het voorjaar zijn levensgevaarlijk!’
Dit was ook de reden waarom de pensionhouder er weinig voor voelde een zoekactie op het getouw te zetten. Maar toen arriveerde, geheel onverwacht, een nieuwe gast in het pension. Het was niemand minder dan de stafchef van Reichsführer Himmler.
‘Ik ga de Obersturmführer zoeken,’ zei generaal Wolff.
‘Laat mij met u meegaan,’ bood Klein aan.
‘U hebt uw plicht gedaan, Obersturmführer Klein. Op last van de Reichsführer SS, handel ik deze zaak verder af. Op. Hij is tot dusver zeer tevreden over uw werk, en dat ben ik ook. Laten we dat zo houden. Ja?’
Klein klakte zijn hielen tegen elkaar en bracht de Hitlergroet. ‘Jawohl, mein General! Heil Hitler!’
Het had geen zin het op te nemen tegen Wolff, besefte hij. Een Obersturmführer kon niet anders dan het onderspit delven als hij het opnam tegen de chef van de generale staf. En wie tot de Reichsführer SS wilde doordringen, moest altijd eerst via Wolff passeren.
Even doof voor de protesten van de pensionhouder als Rahn dat was geweest, trok Wolff samen met een paar van zijn mannetjes het gebergte in. De stormen van het voorjaar joegen nog steeds door de Wilde Kaiser. In zijn verbeelding zag Obersturmführer hoe de sneeuw langzaam maar zeker een lichaam toedekte, als een lijkwade. Maar van wie was het lijk waarmee Wolff en zijn soldaten op 16 maart in Kufstein terugkeerden? Daar had Klein het raden naar. En generaal Wolff liet hem geen gelegenheid om nog een laatste blik te werpen op het gezicht van de dode Otto Rahn.
Klein dacht aan die andere zestiende maart, eeuwen geleden, toen de verdedigers van het laatste kathaarse bolwerk Montségur stierven op de brandstapel. Was het toeval of…?
Otto Rahn werd op 17 maart 1939 uit de SS ontslagen en korte tijd later begraven in Darmstadt. Pas op 18 mei verscheen in de Berliner Ausgabe een overlijdensbericht:

Tijdens een sneeuwstorm in maart jongstleden is SS-Obersturmführer Otto Rahn tragisch om het leven gekomen. Met deze kameraad betreuren wij een eerlijk SS-man en de auteur van uitstekende werken over de geschiedenis.

Het hoofd van de Generale Staf van de Reichsführer, SS-Gruppenführer Wolff.

Het bericht verscheen niet in de officiële partijkrant, de Völkischer Beobachter.
Waarom moest Wolff nog zo nodig een dode ontslaan? En waarom werd het overlijdensbericht van Otto Rahn, zoals het verschenen was in de Berliner Ausgabe, bewaard in zijn SS-dossier? Dat was hoogst ongebruikelijk. Al even ongebruikelijk was het dat een overlijdensbericht van een SS-man uitging van de SS en niet van de familie van de overledene.
In het grootste geheim stelde Dieter Klein een eigen onderzoek in naar de bemoeienissen van generaal Wolff. Hij koesterde de hoop voldoende gegevens te verzamelen die zwart op wit aantoonden dat de stafchef was ingegaan tegen de bevelen van Heinrich Himmler en een jood het leven had gered. Als hij zijn zaak hard genoeg kon maken, zou hij wel een manier vinden om de Reichsführer in kennis te stellen van zijn ontdekkingen. Maar toen brak de oorlog uit en eisten dringender zaken zijn aandacht op.




WWW.SQUIDOO.COM/PATRICK-BERNAUW-ONLINE

Blog Rock 'n' Roll

Het Bloed van het Lam - Fan Box