
45.
Maarten loopt langs het modderige pad naar het kasteel van Mesen en wordt overvallen door de meest uiteenlopende zintuiglijke indrukken. De wilgenstronken die zich donker en dreigend aftekenen tegen de grauwgrijze lucht, als afgeknotte bewakers van een schemerig schimmenrijk. Het lispelen van de wind. Een huilende hond in de verte… en zijn inspirerend voorbeeld wordt onmiddellijk gevolgd door een andere, en weer een andere, en nog een andere. Twee kibbelende mussen. De troosteloze contouren van het vervallen kasteel – gespleten luiken waarvan de verf bladderde en in lange repen naar beneden hangt, een deur die vermoeid heen en weer zwaait in de wind.
Hij begeeft zich naar de kapel. Zodra hij over de drempel stapt, valt het nog moeilijk te bepalen of hij in een interieur dan wel een exterieur staat. Het dak ontbreekt voor een groot deel. De delicaat gekleurde glasramen verlenen het licht nog altijd een mystiek karakter.
Ooit meende hij hier een priester te horen prediken, terwijl gregorianen hun sonore gezangen zongen ter ere van de heer Gustave Vison, wilde weldoener van de kanunnikessen van de Heilige Augustinus die in 1897 het domein kochten. Gustave Vison had niet alleen in Notre-Dame de Marceille een gedenksteen gekregen. De deksteen van zijn graf in de kapel van Mesen is verweerd en de inscriptie nauwelijks leesbaar, maar Maarten heeft zich niet vergist. Het ging wel degelijk om Gustave Vison en de tekst op zijn graf in de kapel was bijna identiek dezelfde als deze op de gedenksteen bij het pad van de bedevaarders.
ICI EST MORT
GUSTAVE VISON
SE RENDANT
A.N.D
DE MARCEILLE
LE 2 MAI 1897
PRIEZ POUR LUI.
Hij heeft zich afgevraagd of de heer Vison in 1897 was teruggekeerd uit Marseille en of hij prompt dood was gevallen in de kapel, nadat hij de kanunnikessen zijn spaarcenten had overgemaakt. Of hij daarom hier een graf had gekregen? Maar zo eenvoudig kon het niet zijn. Dat had het relaas van Dieter Klein hem geleerd. Zo eenvoudig was het nooit in een wereld waar niets was wat het op het eerste gezicht leek te zijn. Gustave Vison bestond niet. Just have a vision! Je moest hier gewoon naar het oosten kijken: I see east more! En zo zou de ingewijde dan, metend op basis van vijf, in het oosten méér zien. Een verzegeld merkteken om maar iets te zeggen, bij de scheur op het eind.
De Gustave Vison van Dieter Klein was overleden in 1886, het jaar waarin de Vraie Langue Celtique van de eerwaarde heer Henri Boudet aan de openbaarheid werd prijsgegeven. En de Gustave Vison van Mesen was overleden in 1897, het jaar waarin de kanunnikessen van de Heilige Augustinus het kasteeldomein kochten. Meer schijnen de data niet te betekenen.
Maarten verlaat de kapel en begint in de richting van het oosten te stappen.
Op zijn pad treft hij geen standbeeld van de Heilige Vincentius aan, vereeuwigde ziel, wachter van de heuvel, van wie de hand neerwaarts wees naar het spoor. Hij loopt tot aan de rand van het kasteeldomein en het enige wat hij op zijn weg vindt – behalve kreupelhout en armtierige braambosjes – is een sluikstort van plastic flessen en een afgedankt transformatorhuisje. Geen scheur op het eind, geen verzegeld merkteken.
Maarten gaat op een geknakte boom zitten en kijkt treurig naar de ingezakte, verkleurde en verdroogde resten van het braambosje dat het transformatorhuisje omringt. In de zomer is er wellicht geen doorkomen aan, maar nu valt het wel mee.
Het ziet er allemaal zo treurig uit, zo banaal. Hij voelt zich op een vreemde manier misplaatst. Alsof hij meent de trein naar Gent Sint Pieters genomen te hebben, om uit te stappen op het perron van Brussel Noord. Hij weet niet wat hij precies had verwacht hier aan te treffen, maar in ieder geval moet het iets zijn dat verwijst naar de duistere middeleeuwen. Niet dit prozaïsche en vrij moderne transformatorhuisje.
Is hij in de verkeerde richting gestapt? Heeft hij de code verkeerd gedecodeerd? Zijn de aanwijzingen in de loop der jaren vermist? Uitgewist? Of heeft hij gewoon niet goed genoeg gekeken?
Maarten staat op en loopt in een wijde cirkel om het transformatorhuisje heen. Aan de achterkant, grotendeels verborgen onder de bramen, vindt hij een rijtje bakstenen – de brokstukken van een muur, die bijna tot op de grond is afgebroken. Blijkbaar heeft hier ooit een huisje gestaan, want loodrecht op de uiteinden van de muur vertrekken nog twee restanten van een muur. En een vijftal meter verder, parallel met de eerste muur, bevindt zich een lijntje bakstenen dat ongetwijfeld deel heeft uitgemaakt van een vierde muur.
Hij bekijkt het grondplan wat aandachtiger. Bij de vierde muur – ín het huisje dat hier ooit heeft gestaan – ligt een bijna volledig door klimop en bramen overwoekerde greppel. De scheur op het eind?
Meteen valt hem nog wat anders op. Bij de ‘scheur op het eind’ staat iets dat hij eerst voor een boomstronk heeft gehouden, maar dat bij nader inzien een groen bemost beeldje blijkt te zijn. Net als de greppel is het haast volkomen overwoekerd. Maarten trekt wat klimop en bramen weg – voorzichtig, want ook in de winter kan je je daar nog lelijk aan prikken. Het beeldje stelt geen naakte Griekse godin voor of zo, en het is ook geen tuinkabouter. Het is onmiskenbaar een pelikaan.
Zijn hart begint ongeduldig te roffelen. De opwinding die hem al in zijn greep heeft gekregen sinds hij in het Evangelie van Magdalena het relaas van Dieter Klein heeft gelezen, keert in alle hevigheid terug. Hij voelt zich als Indiana Jones bij het betreden van de Temple of Doom. Met een dikke stok begint hij ijverig bramen weg te slaan. Hij trekt de klimop uit de greppel en schopt wat dode takken weg.
Het is niet zomaar een greppel, ziet hij nu. Het lijkt meer op de nauwe toegang tot een grot, een bunker, een ijskelder. Misschien is het gebouwtje dat hier ooit heeft gestaan in een vervlogen eeuw inderdaad een ijskelder geweest.
Hij ziet een stenen trapje dat afdaalt in de aarde, en waarvan hij maar een drietal treden kan zien, omdat beneden alles volgestort is met puin. De treden lijken erg oud. Ze zijn bemost, gepolijst door regen en wind, uitgesleten in het midden.
Maarten begint het puin te ruimen.