46.
Brugge. Het huis aan de Spanjaardstraat werd al sinds de vroege middeleeuwen Den Noodt Godts genoemd. Het werd in 1616 grondig verbouwd en in 1970 helemaal gesloopt, op de gevel en de grote poort na. Ooit lag dit slapeloze oude huis op de hoek van de Spanjaardstraat en de Augustijnenrei op wandelafstand van zowel de kaaien als de woonwijken van de rijke kooplui – Spanjaarden, oosterlingen, Florentijnen. Toen het Zwin verzandde, bleven de meeste ‘paleizen’ in vreemde handen, want de Brugse reders en kooplui dreven nog steeds handel met Spanje, Engeland, Oost- en West-Indië.
Omstreeks 1850 was Brugge de armste stad van het land, waar de burgerij Frans sprak en het ongeletterde volk alleen een onverstaanbaar plaatselijk dialect. Maar tegen het einde van de negentiende eeuw was het voor veel welgestelde Europeanen een modieuze pleisterplaats geworden, onder meer dank zij een roman waarin Brugge voor het eerst werd beschreven als een mysterieuze dodenstad.
In de tweede helft van de negentiende eeuw huurden een Engelse lord en zijn lady het huis van een Brugse handelaar, Johannes Christiaenssens geheten. Het was er donker en koud. Er waren kamers waar de zon nooit kwam en die de onaangename geur van zwavel en pek bezaten. Misschien was het de lange en duistere geschiedenis van Den Noodt Godts die het huis zo deed stinken. Hoe dan ook, al gauw werd het huis aan de Spanjaardstraat het toneel van een heuse spookgeschiedenis waarin de geesten van een vermoorde non en haar moorddadige minnaar figureerden, en die culmineerde in een spiritische séance onder leiding van het Britse medium William Eglinton. De befaamde schrijfster en spiritiste Florence Marryat zou de gebeurtenissen die zich voordeden in de zomer van 1879 achteraf uitgebreid beschrijven in haar boek There is no death (1891).
Maar dat alles interesseerde Obersturmführer Dieter Klein niet in het minst. Hem interesseerde alleen waar Jacob Christiaenssens en zowat al zijn familieleden waren gebleven. In hun huis aan de Spanjaardstraat woonde alleen nog een stokoude, potdove en stekeblinde huisbewaarder. Volgens de brave man was de voltallige familie Christiaenssens in 1939 geëmigreerd naar de Verenigde Staten, een bewering die met de nodige documenten gestaafd kon worden. De vogels waren gevlogen, maar nu Klein zo ver was gekomen, wilde hij zijn speurtocht naar de Rechters niet meteen opgeven. Het wreken van zijn vader zou hij wellicht voor onbepaalde tijd moeten uitstellen, maar eindelijk leek hij doorgedrongen in het hart van het geheime genootschap dat zich rond de Graal had gevormd. Klein liet het huis van onder tot boven en van links naar rechts doorzoeken. Misschien dat Jacob Christiaenssens het paneel, dat een dergelijke belangrijke rol speelde in het hele gebeuren, in dit huis aan de Spanjaardstraat verstopt? De kans was klein, maar niet onbestaande.
De poort van Den Noodt Godts gaf toegang tot een ruime hal en een binnenkoer. Een arduinen trap leidde naar een gaanderij die aan een kloostergang deed denken. Op het eind kon je via een houten trap de kelders en de krochten bereiken, van waaruit een nu dichtgemetselde onderaardse gang vertrok naar de overkant van de Augustijnenrei met het augustijnerklooster.
Zowel de gang als het klooster speelden een rol in het spookverhaal dat Klein ter ore was gekomen, en waarin een verliefde monnik zich vergreep aan een jong en mooi nonnetje, tot de dood erop volgde. Waarop de monnik de hand aan zichzelf sloeg en sindsdien rondspookte om vergiffenis af te smeken voor zijn wandaad, terwijl het nonnetje eeuwig door het huis moest dwalen om hem die vergiffenis ook te geven. Zij was wel degelijk verliefd geweest op de monnik; de liefde voor haar hemelse bruid was alleen groter geweest. Het waren de geesten van de non en de monnik die door de Engelse lord en zijn lady waren waargenomen, en die bij monde van het medium William Eglinton en de schrijfster Florence Marryat hun trieste geschiedenis wereldkundig hadden gemaakt.
Den Noodt Godts verkeerde in tamelijk bouwvallige staat, met scheuren in de muren die gevaarlijk overhelden. Het huis was gebouwd op houten palen die voor een deel waren weggerot, zodat het eigenlijk geen funderingen meer bezat en het instortingsgevaar niet geheel denkbeeldig was. In Brugge fluisterde men dat er een schat verborgen was in de kelders van Den Noodt Godts, maar volgens de huisbewaarder was dat larie en apekool.
Obersturmführer Klein ging een kijkje nemen op de ondergrondse loskade, die hem herinnerde aan een beschrijving die zijn vader had gegeven in een van zijn eerste rapporten voor Guido von List. De lucht werd verpest door de stank van het dode water, die ook in het hele huis viel waar te nemen. Er zaten barsten in de wanden en de pijlers van de gewelven. Op een of andere dag zou deze hele Noodt Godts instorten en al zijn geheimen met zich meesleuren in een donker en stinkend graf, stelde Klein zich voor.
De huisbewaarder wees hem een deel van een muur aan, waarvan het metselwerk vrij nieuw leek. ‘Daar zat vroeger een stenen trap. Op die plek begon de onderaardse gang die lang geleden onder de rei doorliep en het augustijnerklooster aan de andere oever verbond met het nonnenklooster aan deze oever. De oude meester Christiaenssens heeft de toegang laten dichtmetselen.’
‘De oude mééster?’
‘Ja, zo noemden wij hem altijd… Mééster Christiaenssens.’
‘Waarom?’
De oude man haalde de schouders op. ‘Omdat hij de Meester was?’
Klein kon de hoofdletter nu duidelijk horen. ‘Waarom heeft men de toegang laten dichtmetselen?’
‘Omdat het te gevaarlijk was, meneer. De gang was toen al over een grote afstand bijna helemaal ingestort. We hebben hem eens gevolgd – meester Christiaenssens, een paar werklui die zich daar vrijwillig voor hadden opgegeven, en ik. De stenen trap kwam uit op een zwaar bespijkerde eikenhouten deur. Opgewonden omdat we blijkbaar op het spoor waren gekomen van iets hoogst geheimzinnigs – misschien wel de verborgen schat waarover de oude legenden spraken – lichtten de werklui de deur uit haar hengsels. Toen lag daar voor ons een nieuw ondergronds krocht waarin de olielampen doofden door een gebrek aan zuurstof. De werklui staken de kaarsen aan die ze meegebracht hadden en waagden zich nogmaals in de bedorven lucht van de kelder. Op de wanden troffen ze niet alleen zwammen aan, maar ook halfvergane tapijten die met goud waren bestikt en… en kruisen.’
‘Wat voor soort kruisen?’
‘Tempelierskruisen, meneer,’ zuchtte de huisbewaarder pathetisch. ‘In het midden van de kelder stond een plompe houten tafel met dertien stoelen. De koperen nagels waren groen uitgeslagen. En op een stoel, aan de tafel, zat een heer die zijn knokige arm om de schouders van een jongedame had geslagen. Mummies waren het, meneer, met geelbruine perkamenten gezichten en lege oogkassen, die eeuwenlang versteend aan de tafel hadden gezeten waarop hun laatste avondmaal was opgediend…’
De oude huisbewaarder rolde met de ogen en wierp zijn armen in een theatraal gebaar in de lucht. Als hij een rol speelden, dan deed hij dat voortreffelijk, vond Klein. En als hij geen rol speelde, had hij een ernstige slag van de molen gekregen.
‘Welk drama heeft de Tempelridder en zijn Dame hier in de dood verenigd, meneer? De ridder hield nog een brokje houtskool tussen zijn benige vingers. Daarmee had hij op het hout van de tafel met zijn laatste krachten een laatste boodschap geschreven: “Ons stervensuur nadert – mager, bleek, ontvleesd. Vergeef het ons, Heer! Dat zij die onze asse en onze vergane beenderen vinden, voor ons bidden!” Maar we hebben daar geen asse en geen beenderen gevonden. Nee, geen asse… en ook geen beenderen.’
Klein bedacht dat, als de huisbewaarder het verhaal niet ter plekke had verzonnen, het wellicht de samenstelling van de lucht in de poederdroge kelder was geweest, die de Tempelier en zijn Dame had gemummificeerd.
‘Er zat nog een andere deur in de kelder dan die waardoor wij naar binnen gedrongen waren. Die tweede deur viel echter in stof uit elkaar toen wij haar aanraakten. Er lag een nieuwe onderaardse gang achter. De bodem was bedekt met slijmerig slijk waarin vette padden en hagedissen nestelden. In deze gang, die naar het nonnenklooster aan de overkant van de rei leidde, troffen wij het skelet aan van een derde persoon, bij een grote, roestige dolk. Nu vraag ik u, meneer… Welke verschrikkelijke mysteries liggen er besloten in de ondergrondse ruimtes van Den Noodt Godts? Was de dame de bruid van de man met de dolk? Werd zij geschaakt door de Tempelier? Sloot de man met de dolk hen hier op om ze de hongerdood te laten sterven? Of was er nog iets anders aan de hand, meneer? Waarom stonden er bijvoorbeeld dertien stoelen rond de tafel, als bij een parodie van het Laatste Avondmaal? Welke vreemde, godslasterlijke rituelen vonden hier plaats, meneer?’
Het was een schitterend griezelverhaal, dacht Klein – maar was het ook iets méér. Wilde Christiaenssens hem op deze manier soms iets duidelijk maken? Had hij met opzet een seniel mannetje in zijn huis achtergelaten, met de bedoeling eventuele achtervolgers op een dwaalspoor te zetten?
‘Hebt u hier ooit iets gemerkt van… godslasterlijke rituelen?’ vroeg Klein.
De huisbewaarder slaakte een diepe zucht. ‘Wat denkt u, meneer? Hier in Brugge leveren de Machten van Goed en Kwaad, van Licht en Duisternis heviger slag dan waar ook ter wereld. Want als deze stad ooit werd uitverkoren om een Heilige Stad te zijn, dan moet het ook hier zijn dat de Boze zijn belangrijkste wingewest wil vestigen…’
Klein onderwierp de bibliotheek van de familie Christiaenssens aan een nader onderzoek. Hij had de indruk dat de bibliotheek zo goed als integraal was achtergelaten, toen de familie op de vlucht was gegaan voor de oorlogsdreiging. Ze bevatte een overvloed aan boeken over onderwerpen als sagen, mythen, legenden, folklore, genealogie, heemkunde, esoterie, alchemie en de vrijmetselarij. Blijkbaar had Jacob Christiaenssens weinig op met zoiets frivools als romans, maar wilde hij alles weten over de geschiedenis van de Tempeliers, de Graal, de kruistochten, de katharen en andere ketterse stromingen binnen het christendom.
Klein liet een inventaris maken van de boeken en bestudeerde een aantal werken zeer nauwkeurig. Zo bijvoorbeeld een eerste uitgave van De Weerliicke Liefden tot Roose-Mond, een bundel liefdesgedichten van Justus de Harduwijn, verschenen in 1613. Het werk was de enige dichtbundel in de bibliotheek van Christiaenssens. Het omslag moest dringend gerestaureerd worden, maar de binnenbladzijden verkeerden in uitstekende staat.
Justus de Harduwijn was tot 1636 pastoor van Oudegem en Mespelare, twee dorpjes – nauwelijks meer dan gehuchten – tussen Aalst en Dendermonde. Voordat hij priester werd, had hij een boel liefdesgedichten geschreven, die waren opgenomen in De Weerliicke Liefden tot Roose-Mond. Daarna schreef hij alleen nog religieuze werken. Het was echter niet zozeer de literaire reputatie van Justus de Harduwijn, waardoor Klein werd aangetrokken tot De Weerliicke Liefden tot Roose-Mond. De dichter was jarenlang de parochiepriester geweest van Mespelare, waar Kreisoffizier Ludwig Klein tijdens de Grote Oorlog al onderzoek verricht had naar de Gouden Wieg.
Ludwig Klein had het spoor gevolgd van drie mysterieuze wagens – het konvooi van Gerard de Villers – die de schat van de Tempeliers zouden vervoerd hebben. Hij herinnerde zich een Duits grapje, waarin de woorden ‘Wagen’ en ‘Wiege’ verward werden en geïnspireerd door het Systeem Schliemann, had hij in de Ardennen gezocht of noordelijker nog, in Vlaanderen. Daar vond hij talloze schatsagen die ‘gouden wiegen’ of Figuri Bafometi als onderwerp hadden, al of niet bewaakt door Turkse spoken. In Wanzele, een gehucht vlak bij Lede, was een Gouden Maphomet in de grond verzonken. Een boogscheut verder lag Mespelare, waar een Gouden Wieg begraven was in de schaduw van de kerktoren. Het probleem dat zich hier stelde, was dat de sage niet vertelde of de schat begraven was in de schaduw die de kerktoren afwierp ’s ochtends, ’s middags of ’s avonds.
Dieter Klein bladerde door de dichtbundel die onder literaire fijnproevers bekend stond als De Rozemond. Er stak een brief in, die wellicht ooit door een lezer als bladwijzer was gebruikt. Of misschien was ‘brief’ niet helemaal het juiste woord – het ging in feite om een boodschap van ene Gustave Vison, die Klein al kende van de ontdekkingen die wijlen Otto Rahn had gedaan in Notre-Dame de Marceille . De boodschap was neergepend op briefpapier van het Institut Royal de Messines uit Lede, dateerde van het jaar 1897, was gesteld in het Latijn en geschreven in blokletters waarvan de inkt door de jaren was verkleurd tot een dof sepia:
FIGURI BAFOMETI IN UMBRA TURRIS NOX XII
TERRIBILIS EST LOCUS ISTE!
GUSTAVE VISON, 1897
XX EL L
Het was zo klaar als een klontje, dacht Obersturmführer Klein. ‘Figuri Bafometi in umbra turris’ betekende, vrij vertaald: ‘De schat van de Tempeliers ligt in de schaduw van de toren’. ‘Nox’ – Latijn voor ‘nacht’ – gevolgd door het Latijnse cijfer 12 betekende: ‘middernacht’. De schat van de Tempeliers lag dus in de schaduw van de kerktoren van Mespelare, zoals die werd afgeworpen om middernacht. Want het zou wel geen toeval zijn dat deze boodschap in een dichtbundel was verstopt, geschreven door de pastoor van Mespelare. Gustave Vison had er nog aan toegevoegd dat je twintig el ver moest zoeken (XX EL L).
Obersturmführer Klein trok met de soldaten die onder zijn bevel stonden naar Mespelare. Hij had nu echt het gevoel in de voetsporen van zijn vader te lopen. Klein liet zijn mensen diverse diepe putten graven, in de schaduw van de kerktoren zoals die bij middernacht werd afgeworpen, twintig el ver. Hij wist niet wat hij daar hoopte te vinden – een schat van goud en zilver, documenten die hem naar de Graal zouden leiden of de Graal zelf. Maar tot zijn grote ontgoocheling was aarde het enige dat in Mespelare werd opgegraven…
WWW.SQUIDOO.COM/PATRICK-BERNAUW-ONLINE


