47.
Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog hadden de Belgische autoriteiten besloten het beroemde altaarstuk het Lam Gods uit de kathedraal van Gent te evacueren naar een veiliger plek, omdat het ernaar uitzag dat België zijn neutraliteit niet zou kunnen behouden. Men kwam tot de slotsom dat de polyptiek nergens beter kon worden ondergebracht dan in het Vaticaan. Alle wegen leidden naar Rome, dus ook die via Pau en de Pyreneeën… De panelen werden gedemonteerd, maar onderweg kreeg het konvooi met een onverwachte tegenslag af te rekenen: Italië had de geallieerden de oorlog verklaard, zodat men aan de voet van de Pyreneeën vast kwam te zitten.
In het grootste geheim werd er onderhandeld met de Franse museumautoriteiten. Dankbaar werd het aanbod aanvaard om het veelluik, in afwachting van betere tijden, op te bergen in de kelders van het kasteel van Henri IV te Pau. Hier, dachten de Belgen, zou het kunstwerk veilig zijn voor de nazi’s. Pau lag in de zone van de Vichy-regering van de oude maarschalk Pétain, strikt genomen buiten het bereik van nazi-Duitsland. En de Franse museumdirecteur had zelfs een schriftelijke verklaring van de Duitsers weten te bemachtigen, waarin werd beloofd dat het altaarstuk niet zou worden verwijderd zonder een eveneens schriftelijke toestemming van de burgemeester van Gent en van de Franse museumautoriteiten.
In december 1941 reisde een Belgische delegatie naar Pau, onder leiding van de conservators Pelgrims de Bigard en Maurits Dupuis, en waarvan ook de restaurateur-kunstschilder Jozef Van der Veken deel uitmaakte, die de opdracht had gekregen een kopie te maken van de Rechters. De delegatie stelde een onderzoek in naar de toestand van de geëvacueerde panelen, die ‘zorgwekkend’ werd genoemd. In juli 1942 ondernamen Pelgrims de Bigard en Van der Veken een tweede reis.
Deze gebeurtenissen konden niet anders dan de aandacht trekken van Ahnenerbe. De organisatie kwam zo op een wel erg simpele wijze achter de schuilplaats van het Lam Gods. De Führer stelde zich nu in eigen persoon in verbinding met maarschalk Pétain om de teruggave van het Lam Gods te eisen, zogenaamd als een onderdeel van het patrimonium van de Duitse natie. Hitler stuurde een persoonlijk gezant naar de maarschalk… en Himmler stuurde een geheim agent van Ahnenerbe naar Pau.
‘We hebben de negen kisten met de panelen van het Lam Gods zorgvuldig in een verhuiswagen geladen met bestemming Beieren’, vertelde Dieter Klein tientallen jaren later aan Lena Christiaenssens. ‘En toen de Belgische delegatie aankwam in Pau, lieten we hun weten dat het Lam Gods naar een onbekende plaats was getransporteerd. De Reichsführer oordeelde nu dat hij mij beter kon gebruiken in Beieren, voor een nieuw onderzoek van het Lam Gods. En zo kwam het dat ik in de loop van 1943 mijn werk in Vlaanderen stopzette en afreisde naar Beieren… De Reichsführer hoopte dat ik er alsnog in zou slagen een aanwijzing te vinden voor de Graal in het paneel van Sint-Jan de Doper met het Lammetje. We kregen het steeds moeilijker aan het oostfront, het werk aan allerlei geheime wapens had topprioriteit. De Reichsführer beschouwde de Graal als een van de wapens die de krijgskansen nog konden keren…’
Toen de geallieerden landden in Italië en Frankrijk, werd door generaal Eisenhower bevolen dat alle schade aan bouwwerken, voorwerpen of geschriften van culturele, artistieke, archeologische of historische waarde moest worden voorkomen, voorzover dat verenigbaar was met de militaire behoeften. Er werd een speciale eenheid opgericht, de MFA&A (Monuments, Fine Arts & Archaeology) die bestond uit Engelse en Amerikaanse kunsthistorici, conservators en archeologen. Het was hun taak de schade aan historische gebouwen op te nemen, de bescherming van de kunstwerken te organiseren en door de nazi’s gestolen kunstschatten op te sporen.
Toen raakte het bestaan van het project Linz bekend. De omvang hiervan deed de officieren van de MFA&A beseffen welke enorme taak hun wachtte. Ze gingen ervan uit dat ook het Lam Gods wel in aanmerking gekomen zou zijn voor het futuristische Führermuseum dat Adolf Hitler in gedachten had. Op dat bevond. Evenmin waren ze ervan op de hoogte dat de nazi’s reeds in 1942 enkele schachten van de niet meer gebruikte zoutmijn van Alt Aussee hadden onderzocht op hun geschiktheid als opslagplaats voor kunstwerken.
Het was naar de zoutmijnen van dit schilderachtige Oostenrijkse badplaatsje, omgeven door hoge bergtoppen en gelegen vlak bij twee prachtige Alpenmeren, dat Dieter Klein in 1943 ook het Lam Gods liet transporteren.
‘Ik onderwierp het middenpaneel de Aanbidding van het Lam en de panelen Sint-Jan de Doper met het Lammetje en de Ridders van Christus aan een grondig röntgen onderzoek. Maar geen van deze panelen bevatte een holte of iets dergelijks waarin documenten konden zijn opgeborgen. In de loop van 1944 moest ik mijn onderzoek afbreken en mij vanwege de steeds penibeler oorlogsomstandigheden vooral toespitsen op de beveiliging van het Lam Gods. In dezelfde periode kwam ik op het idee dat de Graal misschien wel in het kasteel van Mesen gezocht moest worden. Mijn onderzoek in Mespelare had niets opgeleverd, maar misschien had ik de verkeerde aanwijzing gevolgd. Niet de dichtbundel waarin ik de code had aangetroffen was van belang, niet het eenzame meesterwerkje van de pastoor van Mespelare, dat een sage had over een Gouden Wieg… maar het briefpapier waarop de code was geschreven, van het Institut Royal de Messines, gevestigd te Lede. De Duitse troepen moesten echter steeds meer gebied prijsgeven en de Reichsführer SS had mij ondertussen persoonlijk verantwoordelijk gesteld voor het Lam Gods, zodat het voorlopig onmogelijk was dit idee te verifiëren…’
Herr Albracht Gaiswinkler was opgegroeid in de ouderwets charmante streek van Alt Aussee. Hier ook had hij gewerkt in een plaatselijk kantoor van het staatsziekenfonds, waar hij lijsten moest opmaken van personen die zich tegen de nazi’s hadden gekant. Toen de nazi’s hem begonnen te wantrouwen, nam Gaiswinkler dienst bij de Luftwaffe. In Normandië zag hij zijn kans schoon om contact te leggen met het Franse verzet.
‘Wekelijks heb ik in het holst van de nacht konvooien met vrachtwagens vol kisten en kratten door mijn dorp zien rijden’, zei hij.
‘En waar reden die dan naartoe?’
‘Naar de zoutmijnen. De hele omgeving is voor de dorpelingen tot verboden gebied verklaard. Alle toegangswegen worden bewaakt door tot de tanden gewapende SS-ers. Bovendien kun je, niet ver daarvandaan, uit de richting van het Töplitzmeer, voortdurend harde explosies horen.’
De maquisards stuurden een rapport naar Londen en ze smokkelden Gaiswinkler naar Engeland, waar hij werd ondervraagd. ‘Ik denk dat er enorme kunstschatten opgeslagen worden in de zoutmijnen van Alt Aussee’, verklaarde hij.
De kans was groot dat Hitlers legers zich in dat deel van de Oostenrijkse Alpen zouden ingraven voor een ultiem verzet. Daarom gaf men Gaiswinkler een intensieve sabotagetraining van zes maanden, met de bedoeling hem te parachuteren boven zijn woonplaats en vervolgens het plaatselijke verzet te laten organiseren, Duitse troepenconcentraties te melden en vast te stellen wat er in de zoutmijnen en bij het Töplitzmeer gebeurde.
De geruchten over een ultiem verzet van de nazi’s in de Alpenfestung en het massaal opslaan van geroofde kunstschatten werden bevestigd door andere bronnen. De tijd begon te dringen. Twee keer moest Gaiswinklers vliegtuig wegens slecht weer terugkeren naar de Italiaanse basis. Bij de derde poging vloog het de plek voorbij waar andere verzetsstrijders hem zouden opwachten. Gaiswinkler werd gedropt naast een afgrond, op een sneeuwhelling van het Höllengebirge, mijlenver verwijderd van zijn bestemming en vlak bij het beruchte concentratiekamp Ebensee. Tot overmaat van ramp had de Gestapo vernomen dat er daar spionnen waren geparachuteerd. De achtervolging werd ingezet, maar Gaiswinkler wist behouden Bad Aussee te bereiken.
Het jaar 1945 was aangebroken. Het hele gebied krioelde van nazivluchtelingen en leden van het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken en van de marionettenregeringen van Servië, Kroatië, Hongarije en Bulgarije, compleet met goudvoorraden en buitenlandse valuta. De restanten van de Duitse Balkanlegers van generaal Fabianku verdedigden samen met Gestapo en SS dit laatste toevluchtsoord in de Alpen.
Het plaatselijke verzet was gedesorganiseerd en versplinterd. Professor Michel, een bejaarde Weense conservator die pro forma belast was met de zorg voor de kunstverzameling van Alt Aussee, sloot zich in het geheim aan bij de verzetsgroep van Gaiswinkler. De ware autoriteiten in de zoutmijnen waren de SS-ers, had professor Michel tot zijn scha en schande ontdekt, en hij liep niet zo hoog op met de elitetroepen van Hitler. Van professor Michel kreeg Gaiswinkler te horen dat er ’s nachts in Alt Aussee een door de SS bewaakt konvooi was aangekomen, dat zes grote houten kisten vervoerde met het opschrift Marmer, niet laten vallen. Onder toezicht van de plaatselijke nazileider, diens superieur en een explosievenvakman waren de kisten uitgeladen.
Spionnen van Gaiswinkler slaagden erin een kist te openen. Er zat een Amerikaanse vliegtuigbom van 500 pond in. De sinistere bedoelingen van de SS waren meteen duidelijk. Zes zulke bommen waren meer dan voldoende om de hele mijn op te blazen.
Gaiswinkler rapporteerde zijn bevindingen aan zijn Engelse superieuren en kreeg de vreemde opdracht allereerst en koste wat kost ‘de altaarpanelen uit Gent’ in veiligheid te brengen. In samenspraak met professor Michel besloot hij het Lam Gods over te brengen naar een kapelletje in een ruime grot, diep in de mijn. Daar zou het kunstwerk wellicht een stuk veiliger zijn. ’s Nachts, bij het licht van twee mijnlampen, brachten Michel en drie helpers de eerste panelen langs de glibberige, in het gesteente uitgehouwen treden naar beneden.
‘Ik kreeg een paar spionnen van Gaiswinkler te pakken’, vertelde Dieter Klein. ‘Na enig aandringen kwam het hele verhaal eruit. Ze voegden er nog aan toe dat de geallieerde geheime diensten ervan op de hoogte waren dat het Lam Gods een onschatbare waarde voor de nazitop vertegenwoordigde – al wisten ze niet te zeggen waaruit die onschatbare waarde dan precies bestond.’
Commandant Otto Skorzeny kwam met 800 SS-ers naar Alt Aussee. Hij had het bevel gekregen alle tegenstand van het verzet in de kiem te smoren en Obersturmführer Klein te helpen met de bewaking van het Lam Gods. Eerder al was Skorzeny door Ahnenerbe belast geweest met het opsporen van de Graal, maar faam verwierf hij vooral met een gewaagde luchtlanding waardoor hij Mussolini wist te bevrijden uit diens bergvesting in Italië.
Door een list slaagde Gaiswinkler erin de troepen van Skorzeny op een afstand te houden. Oostenrijkse verzetslui waren op dat moment reeds geïnfiltreerd in het hoofdkwartier van Kaltenbrunner, de chef van de Sicherheitspolizei en de SD, die ook bekendstond als ‘de kleine Himmler’. Kaltenbrunner was tevens de onmiddellijke superieur van Gauleiter Eigruber, die de opdracht had gekregen de bommen in de zoutmijn te plaatsen. Samen met andere nazileiders had Kaltenbrunner zijn toevlucht gezocht in het Ausseegebied.
‘In april 1945 werd de toestand uitzichtloos’, herinnerde Dieter Klein zich. ‘De Amerikanen stonden in Salzburg, de Russen in Linz. Kaltenbrunner gaf mij het bevel de zoutmijn op te blazen. Gaiswinkler moet toen besloten hebben alles of niets te spelen. Hij nam contact op met Kaltenbrunner en zette hem onder druk om het bevel te herroepen. Dat deed Kaltenbrunner ook, maar toen wilde Eigruber bevestiging krijgen van de Führer. Gelukkig was de situatie te chaotisch om een verbinding tot stand te brengen met de Berlijnse bunker. Nu goed, wat Gaiswinkler, Michel, Kaltenbrunner of Eigruber niet wist, was dat geen haar op mijn hoofd eraan dacht een bevel van wie dan ook op te volgen als het over het opblazen van de zoutmijnen ging, en dus ook van het Lam Gods. Ik was best bereid een veldslag te verliezen, maar niet de hele oorlog. En uiteindelijk, in het licht van de wereldgeschiedenis, zou deze hele Tweede Wereldoorlog toch maar een veldslag blijken te zijn.’
Toen daagde, om de verwarring compleet te maken, de 80ste infanteriedivisie van generaal Patton op. De Amerikanen legden een cordon rond de mijn en wachtten op hun mensen van de MFA&A. ‘De historici hebben nooit raad geweten met deze actie van Patton. Ze was dan ook geheel in strijd met de strategische prioriteiten van dat moment. Waarom deed Patton zijn 80ste infanteriedivisie en enkele pantsertroepen een geheel andere koers inslaan om de kunstschatten in de zoutmijnen van Alt Aussee op de valreep veilig te stellen? Het antwoord is simpel. Patton wist dat het Lam Gods zich onder die schatten bevond en hij was een van de weinige mensen die een vermoeden hadden van de wezenlijke betekenis van dit zogenaamde toppunt van christelijke mystiek…’
WWW.SQUIDOO.COM/PATRICK-BERNAUW-ONLINE
