Inhoud:
Het Bloed van het Lam
(54)
Het Bloed van het Lam 00
(1)
Het Bloed van het Lam 01
(1)
Het Bloed van het Lam 02
(1)
Het bloed van het Lam 03
(1)
Het Bloed van het Lam 04
(1)
Het Bloed van het Lam 05
(1)
Het Bloed van het Lam 06
(1)
Het Bloed van het Lam 07
(1)
Het Bloed van het Lam 08
(1)
Het Bloed van het Lam 09
(1)
Het Bloed van het Lam 10
(1)
Het Bloed van het Lam 11
(1)
Het Bloed van het Lam 12
(1)
Het Bloed van het Lam 13
(1)
Het Bloed van het Lam 14
(1)
Het Bloed van het Lam 15
(1)
Het Bloed van het Lam 16
(1)
Het Bloed van het Lam 17
(1)
Het Bloed van het Lam 18
(1)
Het Bloed van het Lam 19
(1)
Het Bloed van het Lam 20
(1)
Het Bloed van het Lam 21
(1)
Het Bloed van het Lam 22
(1)
Het Bloed van het Lam 23
(1)
Het Bloed van het Lam 24
(1)
Het Bloed van het Lam 25
(1)
Het Bloed van het Lam 26
(1)
Het Bloed van het Lam 27
(1)
Het Bloed van het Lam 28
(1)
Het Bloed van het Lam 29
(1)
Het Bloed van het Lam 30
(1)
Het Bloed van het Lam 31
(1)
Het Bloed van het Lam 32
(1)
Het Bloed van het Lam 33
(1)
Het Bloed van het Lam 34
(1)
Het Bloed van het Lam 35
(1)
Het Bloed van het Lam 36
(1)
Het Bloed van het Lam 37
(1)
Het Bloed van het Lam 38
(1)
Het bloed van het Lam 39
(1)
Het Bloed van het Lam 40
(1)
Het Bloed van het Lam 41
(1)
Het Bloed van het Lam 42
(1)
Het Bloed van het Lam 43
(1)
Het Bloed van het Lam 44
(1)
Het Bloed van het Lam 45
(1)
Het Bloed van het Lam 46
(1)
Het Bloed van het Lam 47
(1)
Het Bloed van het Lam 48
(1)
Het Bloed van het Lam 49
(1)
Het Bloed van het Lam 50
(1)
Het Bloed van het Lam 51
(1)
Het Bloed van het Lam 52
(1)
Het Bloed van het Lam Deel 1
(18)
Het Bloed van het Lam Deel 2
(13)
Het Bloed van het Lam Deel 3
(11)
Het BLoed van het Lam Deel 4
(4)
48 - De Graalburcht Revisited
Deel 4: De Graal
Het najaar van 1765 was een erg drukke periode voor de Brugse schepen Charles Lauwereyns de Roosendaele de Diepenhede (1724-1789). Op 23 september hadden zijn confraters hem (…) verkozen tot proost van de Edele Confrérie van het Heilig Bloed en in dezelfde maand had hij, in zijn hoedanigheid van de Achtbare Meester van de Brugse loge La Parfaite Egalité, het patent aangevraagd dat er op korte tijd een officieel erkend vrijmetselaarsatelier van zou maken. (…)
Andries Vanden Abeele in Het relikwietabernakel in de basiliek van het Heilig Bloed in Brugge
48.
‘Ik kwam pas op het idee om in het Koninklijk Gesticht van Mesen op zoek te gaan naar de Graal’, vertelde Klein aan Lena, ‘toen ik mij al in Oostenrijk bevond en een uitgebreide zoekactie in Vlaanderen voor ons, Duitsers, onmogelijk was geworden. Wie de bewuste code bedacht had, was bijzonder sluw te werk gegaan. Hij of zij had een dwaalspoor opgezet met de Rozemond van Justus de Harduwijn… en ik was er met open ogen ingetuind. Het klopte dan ook allemaal als een bus en het leidde de aandacht af van het briefpapier van het Institut Royal de Messines, gelegen op een boogscheut van Mespelare, in het al even onooglijke dorpje Lede.’
‘Het was in de schaduw van de kapeltoren van Mesen dat je hoorde te zoeken…’
Lena keek om zich heen. Tien jaar geleden had ze de Graalburcht bezocht met opa Jacob en nu stond ze hier opnieuw. Het vervulde haar met heimwee naar een tijd die nooit terug zou komen. De Graalburcht was in die tien jaar tijd niet zo gek veel veranderd. Het oude kasteel was nog wat grondiger geruïneerd, de kapel nog wat verder in puin gevallen.
‘Waarom ben je hier niet eerder naartoe gekomen?’
Klein lachte zijn bekende vreugdeloze lachje, dat overging in een droog gekuch. ‘Wij hebben de oorlog verloren, weet je nog? Het is ons gelukt vrijwel alle documenten over de activiteiten van Ahnenerbe te vernietigen. Toen onze Führer, Wolfram Sievers, in Neurenberg voor zijn rechters stond, hoefde hij zich alleen te verantwoorden voor de medische experimenten die onder supervisie van Ahnenerbe in de concentratiekampen waren uitgevoerd. Ik heb minder geluk gehad.’
‘Waarvoor heeft men jou dan ter verantwoording geroepen?’
‘Ik werd in de zomer van 1945 opgepakt door een speciale eenheid van generaal Patton en ondervraagd, dagenlang. Eerst door Blood and Guts Patton persoonlijk, en toen die eind 1945 stierf door anderen. Tot ze het beu werden. Een geheim tribunaal, waarvan ik de legitimiteit nog steeds in twijfel trek, beschuldigde mij van misdaden tegen de mensheid en veroordeelde me tot vijftig jaar opsluiting. Levenslang, kortom. Ik verdween in een Duitse gevangenis. Omdat ze niet wisten wat met mij aan te vangen, hebben ze mij een paar jaar later overgedragen aan de Russen, in ruil voor… Tsja, ik weet ook niet waarvoor. Vervolgens heb ik het grootste deel van mijn leven doorgebracht in de strafkampen van de sovjets. In Siberië. Ik werd daar heropgevoed. Maar ik heb er uiteindelijk alleen een chronische bronchitis aan overgehouden.’
Tien jaar geleden was Lena met haar opa Jacob niet zo ver doorgedrongen in het domein van de Graalburcht. Ze hadden de oostelijke grens van het kasteeldomein nu bereikt. Dieter Klein stopte bij een gebouw dat leek op een bunker. Het lag half boven en half onder de grond en het was wellicht de voormalige ijskelder van het kasteel. Daar vlakbij was een transformatorhuisje opgetrokken, dat waarschijnlijk al een paar decennia geleden in onbruik was geraakt.
‘In 1989 viel de Muur en daarna stortte ook die hele verdomde USSR in. Ik werd vrijgelaten. Er was niemand meer die zich herinnerde waarvoor men mij destijds had opgesloten. Mijn dossier was verloren gegaan, mijn hele leven was verloren gegaan. Het leek allemaal één grote cynische grap geworden. Waarvoor ik had gevochten, waarvan ik had gedroomd… het had iedere zin, iedere betekenis verloren. Ik werd losgelaten als een vreemdeling in een vreemd land…’
Dieter Klein slaagde erin tegelijk zijn cynische lachje te lachen en zijn afschuwelijke hoest te hoesten. Zijn uitgemergelde lichaam schokte; daarna hapte hij een tijdje naar adem als een vis op het droge.
‘Ik wist dat de Graal door Jacob Christiaenssens bewaakt werd in de Graalburcht’, kon hij uiteindelijk uitbrengen, ‘en ik wist dat die Graalburcht eigenlijk het kasteel van Mesen was… Maar ik moest nu in eerste instantie zien te overleven. Gelukkig waren er nog enkele Alte Kameraden.’
Toen Lena voor het eerst een bezoek bracht aan het kasteel van Mesen, leek deze plek mystiek en romantiek uit te ademen. Nu was het veeleer of ze terecht was gekomen in een surrealistisch schilderij. In het land van Magritte en Delvaux mocht het geen verwondering wekken dat tussen het transformatorhuisje en de bunker of de ijskelder of wat het ook was geweest een gipsen beeld was geplaatst. Het stelde geen kabouter, geen leeuw, geen god of godin voor… maar een pelikaan.
Hoe viel het idee van een Graalburcht te rijmen met de aanwezigheid van dit transformatorhuisje of deze voormalige ijskelder? Daar, op een weide net voorbij de afsluiting, stonden enkele oude, vuile en versleten caravans op wat waarschijnlijk een officiële staanplaats voor zigeuners was. Het klopte niet, het was een stijlbreuk, bijna een anachronisme. Lena kreeg steeds meer het gevoel dat ze in een droom leefde, die ze ten onrechte – en jarenlang – voor de werkelijkheid had gehouden.
‘Het eind van de negentiende eeuw moet voor je familie een vrij turbulente periode geweest zijn. In Frankrijk werden de parochiepriesters Bérenger Saunière en Henri Boudet plotseling heel erg actief. In Vlaanderen kon hetzelfde gezegd worden van de kapelaan van de Heilig-Bloedkapel, Louis Van Haecke. Wat er toen precies gebeurd is, zullen we wellicht nooit meer te weten komen. Wie stond aan welke kant? Welke allianties werden aangegaan? Verschenen er dissidente telgen uit het geslacht Christiaenssens op het toneel die uit de biecht wilden klappen? Kwam het geheim onder druk te staan? Welke fractie had het gehaald? De Rozenkruisers of de satanisten van Parijs? Misschien vonden sommige ingewijden dat de tijd rijp was om het licht op groen te zetten en eindelijk van start te gaan met de laatste fase van het Grote Plan. Misschien vonden anderen het allerminst het geschikte moment. Was er sprake van een schisma? Moeten we rekening houden met een georkestreerd lek? Het doet er allemaal niet meer toe… In Frankrijk hebben we een koningsgraf gevonden, maar het is in Vlaanderen dat we het zwaartepunt van de hele geschiedenis moeten zoeken – hier, in de Graalburcht, waar het paneel de Rechtvaardige Rechters wordt bewaard, samen met de enige ware Graal…’
‘En je bent teruggekeerd naar Vlaanderen?’
‘ Inderdaad. Toen ik daar sterk genoeg voor was en voldoende geld had verzameld… Ik wilde een laatste poging doen om Jacob Christiaenssens op te sporen. Ik weet niet wat ik gedaan zou hebben als ik hem nog in leven gevonden had. Ik wilde bovenal de Graal zien. Niet om er nog wat mee te doen, daarvoor was het te laat geworden. In feite is het, wat mij betreft, voor álles te laat geworden. Nee, nee. Ik wilde… Ik móést uitsluitsel krijgen of mijn vader en ik het bij het rechte eind hadden. Het is toch niet mogelijk dat zijn levenswerk, dat mijn eigen leven… geheel zinloos zijn geweest? Geen enkele betekenis hebben gehad? Dat kan toch niet, Lena? Dat wij een leven lang… een zeepbel hebben nagejaagd?’
De hondjes van het woonwagenkamp hadden Klein en Lena in de gaten gekregen. Ze begonnen te keffen dat horen en zien verging. Een paar zigeuners kwamen nieuwsgierig kijken waar al die herrie goed voor was.
Lena keek onrustig om zich heen. Klein merkte het. ‘Niks aan de hand, Lena… Het is niet verboden te wandelen in de vrije natuur. Deze zigeuners zullen wel de laatsten zijn om daar een punt van te maken.’
Klein had erop gestaan dat ze bij wijze van voorzorgsmaatregel een fototoestel en verrekijker zouden meenemen. Voor het geval ze opgemerkt werden, konden ze zich voordoen als amateurornithologen.
Een kolos van een kerel met een forse zwarte snor kwam hun richting uit, zag Lena. Hij bleef wijdbeens voor hen staan, de handen in de zijden. Zijn kleren waren niet meer zo nieuw, ze konden ook best een wasbeurt verdragen, en hij had een getaande huid. De man zág er wel uit als een zigeuner, maar hij sprák niet als de bewoner van een woonwagen. Zijn Frans klonk te beschaafd en er lag een gebiedende klank in zijn stem.
‘Wat zoekt u hier?’
‘Opa en ik fotograferen vogels, meneer’, antwoordde Lena. ‘Ik heb nergens een bordje Verboden Toegang gezien, dus…?’
De ‘zigeuner’ nam haar onderzoekend op. Nonchalant was Klein verder geslenterd, zich als het ware van geen kwaad bewust, fototoestel in de aanslag. Lena gaf de man nog een vriendelijk knikje en ging achter Klein aan. Ze voelde de ogen van de ‘zigeuner’ in haar rug priemen. Onwillekeurig wierp ze een blik achterom. De wind speelde met de panden van zijn vieze jas. Ze zag het maar een fractie van een seconde, maar het was te duidelijk zichtbaar om zich te vergissen. De man droeg een schouderholster.
Lena keek snel weer voor zich. Wat moest ze nu doen? Klein proberen te waarschuwen? Het zelf alvast op een lopen zetten? De grijsaard zou niet ver komen…
‘Hij heeft een wapen’, zei ze – net hard genoeg, hoopte ze, opdat Klein haar zou horen.
Klein hoorde haar, tastte naar zijn pistool en draaide zich om. Toen weerklonken er twee, drie doffe ploffen en viel hij voorover in het gras.
Lena begon te gillen. Ze stopte daar pas mee toen haar grote broer Jan haar twee, drie keer met de vlakke hand in het gezicht sloeg.
WWW.SQUIDOO.COM/PATRICK-BERNAUW-ONLINE


