Stadsspel Doe-het-Zelf Webwinkel

Inhoud:

Het Bloed van het Lam (54) Het Bloed van het Lam 00 (1) Het Bloed van het Lam 01 (1) Het Bloed van het Lam 02 (1) Het bloed van het Lam 03 (1) Het Bloed van het Lam 04 (1) Het Bloed van het Lam 05 (1) Het Bloed van het Lam 06 (1) Het Bloed van het Lam 07 (1) Het Bloed van het Lam 08 (1) Het Bloed van het Lam 09 (1) Het Bloed van het Lam 10 (1) Het Bloed van het Lam 11 (1) Het Bloed van het Lam 12 (1) Het Bloed van het Lam 13 (1) Het Bloed van het Lam 14 (1) Het Bloed van het Lam 15 (1) Het Bloed van het Lam 16 (1) Het Bloed van het Lam 17 (1) Het Bloed van het Lam 18 (1) Het Bloed van het Lam 19 (1) Het Bloed van het Lam 20 (1) Het Bloed van het Lam 21 (1) Het Bloed van het Lam 22 (1) Het Bloed van het Lam 23 (1) Het Bloed van het Lam 24 (1) Het Bloed van het Lam 25 (1) Het Bloed van het Lam 26 (1) Het Bloed van het Lam 27 (1) Het Bloed van het Lam 28 (1) Het Bloed van het Lam 29 (1) Het Bloed van het Lam 30 (1) Het Bloed van het Lam 31 (1) Het Bloed van het Lam 32 (1) Het Bloed van het Lam 33 (1) Het Bloed van het Lam 34 (1) Het Bloed van het Lam 35 (1) Het Bloed van het Lam 36 (1) Het Bloed van het Lam 37 (1) Het Bloed van het Lam 38 (1) Het bloed van het Lam 39 (1) Het Bloed van het Lam 40 (1) Het Bloed van het Lam 41 (1) Het Bloed van het Lam 42 (1) Het Bloed van het Lam 43 (1) Het Bloed van het Lam 44 (1) Het Bloed van het Lam 45 (1) Het Bloed van het Lam 46 (1) Het Bloed van het Lam 47 (1) Het Bloed van het Lam 48 (1) Het Bloed van het Lam 49 (1) Het Bloed van het Lam 50 (1) Het Bloed van het Lam 51 (1) Het Bloed van het Lam 52 (1) Het Bloed van het Lam Deel 1 (18) Het Bloed van het Lam Deel 2 (13) Het Bloed van het Lam Deel 3 (11) Het BLoed van het Lam Deel 4 (4)

49 - Het geheiligde graf


49.

‘Waar wilt ge naartoe, meneer Dejonckheere?’ Hij staat boven aan de trap, een gebogen ventje in een grijs kieltje. De troebele varkensoogjes van Bert Ducaju glinsteren ondeugend. Of is het de weerspiegeling van het laatste licht van de dag op zijn dikke brillenglazen?
‘Er zou hier een geheime ondergrondse schuilplaats moeten zijn’, zegt Maarten.
‘Hoe weet gij dat?’
‘Ik heb er iets over gelezen in een boek over het kasteel.’
‘Het is waar... Het is heel waar, van die ondergrondse schuilplaats… Maar ge kunt daar op verschillende manieren geraken. Stond dat ook in uw boek?’
Maarten schudt het hoofd.
‘Mijn manier is simpeler dan de uwe’, zegt Bert, en hij gebaart dat Maarten hem moet volgen. Ze keren terug naar het kasteel en ondertussen praat de parkwachter honderduit. ‘Die geheime ondergrondse schuilplaats van u, da’s eigenlijk de mijne.’ Hij lacht hinnikend. ‘Ja ja, ge moet zo niet kijken, ’t is de waarheid! Niemand kan ons daar vinden, want niemand weet hoe ge daar moet geraken. Behalve een paar eh… ingewijden, zullen we maar zeggen. Gij, ik… Ja, ’t is zo een beetje mijn heiligdom, hé. Ik heb die kamer nog speciaal ingericht voor Lena, voor als ze echt grote problemen zou krijgen… En nu zult ge zeggen: ja maar Bert, als ge mij uw geheime kamer toont, dan is ze toch niet langer geheim? Dat is waar, dat is heel waar… Maar voor u maak ik graag een uitzondering, want gij zijt een geschikte vent. Wat van haar andere vlam niet gezegd kon worden!’
‘Haar andere vlam?’
Bert haalt een omvangrijke sleutelbos tevoorschijn, kiest schijnbaar op goed geluk een ouderwets grote sleutel en klikt een kelderdeur open. Terwijl ze de trap afdalen, lijken hun voetstappen steeds zwaarder te klinken en wordt de lucht steeds killer. Orpheus op weg naar het middelpunt van de onderwereld om zijn geliefde Euridice te bevrijden, denkt Maarten.
Onder aan de trap bevindt zich een zware ijzeren deur. Opnieuw tinkelden de sleutels en dan – krakend in al zijn scharnieren<> – draait de deur moeizaam open. Even wordt Maarten verblind door het felle licht van tl-buizen. Ergens zoemt iets. ‘De luchtdroger’, zegt Bert. ‘Dat zijn hier nog schuilkelders van sedert de oorlog, ziet ge. En daar horen allerhande voorzieningen bij, zoals luchtvochtigheidsregulators en verlichting en dat soort dingen.’
De parkwachter grist een zaklamp van een haakje aan de muur en knipt ze aan. Ze lopen door nauwe gangen, met aan weerszijden bogen en rondingen. ‘De gangen zijn heel veilig, de gangen… Als het nodig zou zijn, kunnen hier tijdens een luchtalarm een paar honderd mensen schuilen. Het gangenstelsel loopt in een cirkel onder heel het kasteel door. En hier, in deze ruimte…’ – zijn sleutelbos rinkelt – ‘… heb ik dus mijn heiligdom ondergebracht.’
De deur zwaait geruisloos open en het hart van Maarten mist een slag.
Op een roze kleedje ligt het skelet van een kat. De scherpe tanden blikkeren in het vale licht van het elektrische peertje. Er zitten kleine vlekjes bloed op het geelwitte ivoor van de tanden. Alsof het beest zopas nog de weke hals van een bezoeker heeft bewerkt.
Parkwachter Bert stapt over het skelet op de vloermat heen. Hij gaat de ondergrondse kamer binnen en doet het licht aan. Schoorvoetend volgt Maarten hem. In het ‘heiligdom’ van het vieze oude mannetje lijkt alles een rode kleur te bezitten. In het midden van het vertrek staat een oude, rode sofa. Een koperen pendule geeft een dofrode schijn af. Het tafelkleed is scharlaken, de stoelen bij de tafel zijn lichtrood geverfd. Het plafond, ziet Maarten, is bezet met rode marmerplaten.
Op de tafel slingeren enkele vellen papier rond, waarop iemand aantekeningen heeft gemaakt. Maarten herkent een paar gedecodeerde ‘vertalingen’ van pastoor Boudet:


De te volgen weg mondt uit bij de deur,
waar het hoofd van de koning binnen bereik ligt.
Daar bevindt zich de schuilplaats.


En:


Om gemakkelijk bij het einddoel en het reliekschrijn te komen,
moet men de weg naar het ravijn volgen.
De hele zaak komt erop neer het geheiligde graf te vinden.


Bert sluit de deur achter zijn bezoeker. Maarten wordt zich bewust van de muffe, weeë geur die alle voorwerpen in de kelderruimte lijken uit te ademen. Ooit heeft hij een slachthuis bezocht en deze stank doet hem daar weer aan denken. Geronnen bloed, dampende ingewanden.
‘Iedereen zal denken dat ik haar naar de andere wereld geholpen heb’, zegt Bert. ‘Maar het is niet waar.’
Het is alsof Maarten een stomp in zijn maag krijgt, waardoor alle lucht uit zijn longen wordt geperst. ‘Wie is “haar”, Bert?’
‘Lena natuurlijk’, zegt hij. ‘Maar het is niet waar.’
‘Ze… Ze is niet dood?’
‘Dit is míjn heiligdom. Als ik mocht kijken, wilde ik het wel delen met Lena, maar dit hier… dit is van míj. Ook als ik het u laat zien, omdat gij een geschikte gast zijt, dan nog blijft het van mij en van mij alleen. Hebt ge dat goed verstaan? Ik heb de verschillende toegangen tot deze kelders onder de kelders blootgelegd, ik en niemand anders. Hier ben ik de heer en de meester, meneer!’
‘Geen probleem, Bert… Maar Lena… Hoe zit het met Lena?’
‘Haar overgrootvader had hier iets onder de grond gestopt, zei ze en nu wilde ze dat terug. Ze wilde de toegang gebruiken die gij ook ontdekt hebt, maar dat was veel te hard labeur, zei ik, en ik liet haar de poort zien naar mijn heiligdom. Als ze de rest ook wilde zien, dan… dan zouden we wel tot een akkoord komen, zeker? Nu goed, Lena deed niet moeilijk en ik kneep een oogske dicht en alles ging prima. Zelfs toen gij en Lena hier… allez, ge weet wel. Maar toen zijt ge d’r met Lena vandoor gegaan en toen is die Mennaert gekomen en dat was een heel andere affaire. Hij wilde het koffertje hebben dat haar overgrootvader hier verstopt had, de kleine brandkast met de stamboom van de familie Christiaenssens. Hij zal daar wel de inhoud van die speciale graftombe mee bedoelen, dacht ik, waarover meneer Christiaenssens me verteld had…’
‘Meneer Christiaenssens? Jan Christiaenssens?’
‘Ja… Heb ik u dat niet verteld? Meneer Christiaenssens, dat is mijn werkgever. Hij betaalt me om de boel hier zo’n beetje te bewaken en dat doe ik nu al bijna tien jaar lang. Eigenlijk had ik hem moeten vertellen van Lena, maar ja… Dat speciale graf dus… D’r zal wel gewoon geld in gezeten hebben, of gouden tanden, of juwelen van de Joden die hier onderdoken tijdens de oorlog. De Duitsers hebben ze dan toch nog gevonden, naar het schijnt – de joden bedoel ik hé, niet hun juwelen… Ja ja, meneer Christiaenssens heeft mij daar van alles over verteld. Maar volgens Lena zat er dus een stamboom in van de familie Christiaenssens. En niet te vergeten, dat schilderij, ge weet wel, ’t werd gestolen in ’34, allez, ’k zou het duizend keer kunnen zeggen…’
‘De Rechtvaardige Rechters?’
‘Eigenlijk zijn dat ook Joden, wist ge dat? Christiaenssens, dat is niet hun echte naam hé! ’t Zijn geheime Joden, om het zo maar eens te zeggen, voor wie dat de oorlog nooit gepasseerd is, gelijk die Japanners in de wildernis die denken dat het nog altijd oorlog is… Maar soit, dat wilt ge niet weten, zeker? Mennaert moest dus een koffer hebben en hij bleef maar terugkomen en toen…’
Als terloops schuift Bert een rode kamerscherm opzij. Daarachter zit, in een schommelstoel, niemand minder dan Ernie, het skelet dat Bert heeft geassembleerd en dat hij bij hun eerste ontmoeting aan Maarten heeft voorgesteld als zijn assistent. Ernie draagt de kleren van Mennaert – Maarten herkent het grasgroene pak in een oogopslag.
‘Ziet ge niks speciaals aan Ernie?’ vraagt Bert.
Dan pas merkt Maarten dat op de romp van Ernie een afgekookte schedel is gemonteerd, die er zeer menselijk uitziet.
‘Ernie is eindelijk… volledig?’
Het koude zweet gutst Maarten uit al zijn poriën. Het staat op zijn voorhoofd, op zijn rug, in zijn handpalmen.
‘Dat moogt ge wel zeggen, ja. Mennaert had echt wel een geschikte kop, een karakterkop ja, gelijk de uwe.’ Bert lacht kakelend. ‘Het was zijn eigen schuld, dikke bult. Wij hadden een akkoord, Lena en ik. Zij was van mij en ik mocht kijken als zij… Maar Mennaert, die wilde Lena voor hem alleen en… hij wilde álles, Mennaert. En ge kunt ook te veel willen, hé meneer Dejonckheere? Lena wilde niets van hem weten en ik ook niet. Ze speelden hier kat en muis. Hij legde zich daarbuiten op de loer, Lena is voor hem gevlucht en ik wist van niks… Als Mennaert niet teruggekomen zou zijn… Ineens was ze verdwenen, Mennaert had niet gezien waar of hoe… Ik moest hem helpen, hij had haar gezocht en toen… Toen heb ik haar gevonden, en toen…’
Zijn stem dooft uit, zijn ogen dwalen weg. Parkwachter Bert lijkt volkomen verdwaald in zijn eigen hoogstpersoonlijke verwrongen logica.
‘Ik heb hem de kop ingeslagen en dat was een spijtige zaak, meneer Dejonckheere, want hij had een echte karakterkop – maar soit, d’r is niks meer aan te doen…’ Hij toont Maarten het gat achter in de schedel van Ernie.
‘Waar heb je Lena gevonden, Bert?’






WWW.SQUIDOO.COM/PATRICK-BERNAUW-ONLINE

Het Bloed van het Lam - Fan Box