Lena voelde zich in de Graaltombe als een welkome gast die zich gezellig in een gemakkelijke fauteuil had genesteld en wachtte – waarop wist ze niet precies. Eerst gebeurde er trouwens helemaal niets. Het was donker en stil in de Graaltombe en zo was het altijd geweest, zo moest het altijd zijn. Om haar heen was de wereld in volmaakte rust gedompeld, in diepe duisternis. Ze zat daar zo knusjes en warm. Alleen de gedachte dat het straks weer licht zou worden, boezemde haar angst in.
Laat alles nu maar verstenen, bad ze. Zet de tijd stil en laat mij verstenen. Geef mij vlees van steen, een hart en lever en longen van steen, geef mij ogen van steen. Het is genoeg geweest. Zet de tijd stil en laat mij verstenen in de Graaltombe, als een mammoet die eeuwenlang mag slapen in het ijs, het bloed in zijn aderen voor altijd bevroren.
Wat zou er gebeuren als Mennaert haar hier ontdekte? Parkwachter Bert? Haar grote broer Jan? Als zij het mechanisme in werking zetten dat de Graaltombe opende en sloot? Ze zou voor hun voeten op de grond rollen en zich naakt voelen in het harde licht van de tl-lampen. Hoe zouden ze reageren? Parkwachter Bert waande zich nu al de bewaker van een koningsgraf, die de op goud en juwelen beluste grafschenners ver moest houden van de schatten van het verleden.
Lena dacht aan het ouderwetse horloge met de zilveren ketting dat Mennaert eeuwen geleden uit het borstzakje van zijn vest had gehaald. Traag en met een zekere regelmaat had hij het horloge heen en weer laten slingeren. Alsof hij net het perpetuum mobile had uitgevonden, keek hij Lena samenzweerderig aan en maakte haar attent op de slingerbeweging. ‘Vertel mij nu maar alles wat je te vertellen hebt, Lena…’ zei hij met een zachte, gelijkmatige stem. ‘Kijk naar het horloge aan de ketting, het is de hoogste tijd om mij alles te vertellen… Je weet dat je mij kunt vertrouwen, je bent naar me toe gekomen en je hebt mijn hulp gevraagd. Ik zál je ook helpen, Lena. Maar dat kan ik alleen doen als je mij alles vertelt. Kijk dus naar het horloge aan de ketting, want het is de hoogste tijd… Het is de hoogste tijd dat je mij alles vertelt, Lena… Vertel het mij nu maar, kom, ik luister…’
En zij vertelde het hem. Zij vertelde alles. Ze keerde terug naar haar kindertijd, toen ze huilde omdat ze nog zo veel te leren had en niemand haar iets vertelde. Waarom vertelde men haar niets? Ze werd voor de leeuwen gegooid en ze wist van niets! Haar vader verwachtte van haar dat ze een rol speelde in een stuk waarvan ze niet eens de titel kende! Ze had alleen haar grootvader; alleen opa Jacob maakte het draaglijk voor haar. Waar was haar moeder gebleven? Ze had alleen nog die ene herinnering, waarvan ze niet eens wist of het een wáre herinnering was – misschien had ze het zich gewoon ingebeeld, was het niets meer dan een fantasietje. Haar moeder – Ilse heette ze, Isolde de Blonde – lag op de divan en Pieter Mennaert zat op een stoel bij de divan en keek toe hoe Lena zich tegen haar mama aan vlijde en hoe Isolde de Blonde haar witte jurk opende en haar kind aan haar blanke borsten legde en daarbij zacht zong van de zandman die moest komen, van de zandman die moest komen, zandman kom nu maar, want Lena moest nu slapen, Lena moest nu slapen, Lena slaap nu maar. En Lena glimlachte verzaligd en stak haar duim in haar mond. Maar toen was papa daar weer, papa die schreeuwde dat ze niet buiten mocht spelen met de andere kindjes, papa die haar een paar rake klappen gaf zodat ze gilde met overslaande stem: ‘Jij bent mijn papa niet, jij! Jij mag mij niet slaan, jij! Want jij bent mijn papa niet, jij!’
Lena ging mokkend en alleen, altijd alleen in de zandbak zitten en speelde wat met opa Jacob. Hij sloeg haar nooit, hij speelde altijd met haar, hij was haar papa, haar enige papa. Maar toen was daar haar grote broer Jan, hij lichtte een tipje van haar luier op en zei: ‘Wreed schoon!’ – En: ‘Wreed schoon!’ zei Bert. – En: ‘Wreed schoon!’ zei Mennaert. – Maar papa speelde weer voor spelbreker en joeg haar met een trap onder haar kont in de hoek en noemde haar een klein beest. Hij ontwrichtte haar handen en zette ze scheef weer op haar polsen; hij gooide een handvol zand in haar ogen, zodat ze zich de ogen uit de kop huilde van de pijn en beloofde dat ze nooit en nooit meer zou doen wat ze had gedaan. En daar lag de kleine Lena nu in de zandbak te verhongeren en te verdorsten, door iedereen vergeten – door mama, door papa, door haar grote broer Jan… En waar was opa Jacob? De wereld was leeg en eindeloos groot en zij was het Verlaten Kindje met de Snotneus, zand in de ogen, handjes ontwricht. En ze lag daar onderbewusteloos, misschien zelfs dood. Mors.
Ergens galmde een westminster zevenmaal. Was het al zo laat? Nog steeds zat ze in de zandbak, eenzaam als een triestelaar. In de verte zong opa Jacob van de zandman die moest komen, van de zandman die moest komen, zandman kom nu maar. Want Lena moest slapen, Lena moest slapen, Lena slaap nu maar. En Lena stond op en ging door de straten van de stad dwalen – en daar was niemand meer, geen enkel kindje om mee te spelen, want alle andere kindjes waren naar huis, naar hun mama, naar hun opa, om te slapen in het grote warme bed. Hun mama zong een liedje voor de kindjes, maar Lena’s mama zong niet meer, Lena’s mama was dood, Lena’s mama had Lena vergeten en nu was het Lena’s beurt om dood te gaan.
Wat zou Jan doen als hij haar hier vond? Lena giechelde. Zou hij haar ritueel slachten als het paaslam, kruisigen als de Christus of simpelweg een kogel door haar stomme kop jagen? Zou hij haar opnieuw opsluiten in een psychiatrische kliniek? Het was slechts een kwestie van tijd voor hij kwam opdagen. Iemand zou met hem gaan praten (Mennaert). Iemand zou zijn mond voorbij praten (Bert).
Lena wilde niet opnieuw naar de kliniek, waar de patiënten op haar afkwamen als monsters van een verre planeet, stoetsgewijs door een lange gang schuifelend en hobbelend, kuchend en rochelend, zingend en kwijlend, brabbelend en zwijgend – voorwereldlijke reuzenschildpadden uit de tot leven gekomen schilderwerken van een moderne Jeroen Bosch. Ze zeilden voorbij als gehavende Spaanse galjoenen en Lena kreeg het gevoel niet langer een mens van vlees en bloed te zijn, maar een personage in een griezelfilm. Het raam met de tralies ervoor werd een wit scherm met zwarte strepen waarop onmogelijke beelden werden geprojecteerd.
‘Wat schaft de pot?’ krijste er een. ‘Preisoep met puree!’ gilde een ander. ‘Gestoofde kalfsfricandon met witloof!’
Mannen in witte kleren sjorden haar in een dwangbuis en klonken haar vast aan een bed. Ze zetten haar in een isoleercel van twee bij twee meter, dagenlang, op water en brood, met zichzelf als enig gezelschap. Na verloop van tijd had ze de doodskist geprefereerd boven het leven daarbuiten, de dagelijkse waanzin overgoten met preisoep, gestoofd in witloof en gepureerd met kalfsfricandon. Hier kon niemand haar raken, hier kon ze zich verliezen in haar dromen, haar herinneringen. Hier hield de werkelijke wereld op met bestaan, zodat ze weer ongestoord kon samen zijn met Kurt, die haar pal in de ogen keek en met zijn welluidende stem toefluisterde dat ze gedurende een uur of wat in een diepe winterslaap zou verzinken, net als Doornroosje in haar betoverde kasteel, om vervolgens te ontwaken bij de eerste kus van haar sprookjesprins.
Zo bracht hij haar onder hypnose en terwijl ze in zijn donkere ogen verzonk en luisterde naar zijn omfloerste stem, werd ze volkomen willoos in zijn handen, kneedbaar als was. En ze had zich geheel en al voor hem opengesteld, ze had zich totaal aan hem overgeleverd, met huid en haar, van kop tot teen. ‘Het is geen garantie voor succes’, zei hij. ‘Je kunt ook iets zo graag willen dat je compleet blokkeert.’ Maar nu werkte het, ongetwijfeld. Ze voelde haar oogleden zwaar worden. En haar armen. En haar benen. En haar hoofd tolde op haar schouders en als in een waas liet ze zich door Kurt naar een kist leiden – wat ze zag en hoorde, drong niet langer tot haar door. Er was alleen nog een weldoende zwaarte die zich door al haar spieren verspreidde, de aangename vermoeidheid die je voelt na een dag hard werken. Nu wilde ze alleen nog slapen. Weldadig slapen. Niets meer weten. Rusten in algehele, inktzwarte duisternis.
De doodskist ging dicht en het werd aardedonker om haar heen. Lekker slapen in je warme bedje, dacht Lena – het moest zowat haar laatste bewuste gedachte geweest zijn. Toen sliep ze lekker in haar warme bedje. Of toch niet… Nee, het was háár warme bedje niet. Toch sliep ze lekker in het warme, ruime bed van de vreemde kamer waar ze op vakantie was. Door de dikke duisternis priemde af en toe een woord als een bliksemflits, bijvoorbeeld het woord ‘Bliksemflits’. Bliksem. Flits! Heel eventjes werd het dan licht in haar hoofd, werd haar hoofd hel verlicht als een kerstboom – en zij zong zacht: ‘Slaap kindje slaap, daarbuiten loopt een aap. Een aap op witte sokjes, die eet zijn rijst met stokjes.’ Wat een surrealistische droom was dit. Dalí betekende in het Catalaans trouwens ‘Bezeten door Begeerte’. En Salvator betekende ‘Redder’. Betekende ‘Verlosser’. De Messias was dus Bezeten door Begeerte. Bliksem. Flits! Als de flash van een fotocamera. Zo maakte Magritte collages van woorden en beelden. En niet te vergeten: Delvaux. En Hitchcock. Alfred. Hitchcock.
Het was een klassieke scène uit een thriller van Hitchcock: een deurklink die op en neer gaat in precies die ene straal licht van de volle maan. De heldin slaapt en ziet het niet. Het bed is ruim en omgewoeld, de lakens zijn klam. Doornroosje in haar betoverde sprookjeskasteel. De heldin kan niet zien hoe de deurklink van haar slaapkamer op en neer gaat in het licht van de volle maan, want ze slaapt in een korte witte nachtjapon in een bed dat het hare niet is.
Ze wordt gewekt door een geluid op de gang, maar echt wakker is ze nog steeds niet en haar hoofd doet pijn van te veel pillen. Het kost haar eindeloos veel moeite haar ogen open te houden; haar oogleden wegen zwaar als lood, haar hele lichaam voelt koud en hard aan, als verstijfd in een kramp, verlamd. Ze kan haar vingers niet bewegen, haar handen niet, haar benen niet; er is overal zand om haar heen en het drukt zo zwaar op haar borst dat ze haast niet meer kan ademen, ze krijgt geen lucht meer, ze wil gillen: ‘Help! Ik stik! Ik ga dood!’ – Maar er komt geen geluid over haar lippen, want haar tong is als verlamd en er zit zand in haar mond, zand dat knarst en knerpt tussen haar tanden, zand in haar neus dat haar belet adem te halen en ze heeft de lucht zo nodig, maar het zand drukt loodzwaar op haar borst en de kist gaat open en Lena gilt: ‘Help me! Ik stik! Ik ga dood!’
En het eerste dat ze ziet, is het bezorgde en doodsbange gezicht van de liefde van haar leven: Kurt Degraeve, beter bekend als de Zwarte Magiër. Maar dat kan niet. Dit moet weer een nieuwe illusie zijn van de beroemde illusionist, zijn allerlaatste. Want Kurt is dood. Mors.
