Inhoud:
Het Bloed van het Lam
(54)
Het Bloed van het Lam 00
(1)
Het Bloed van het Lam 01
(1)
Het Bloed van het Lam 02
(1)
Het bloed van het Lam 03
(1)
Het Bloed van het Lam 04
(1)
Het Bloed van het Lam 05
(1)
Het Bloed van het Lam 06
(1)
Het Bloed van het Lam 07
(1)
Het Bloed van het Lam 08
(1)
Het Bloed van het Lam 09
(1)
Het Bloed van het Lam 10
(1)
Het Bloed van het Lam 11
(1)
Het Bloed van het Lam 12
(1)
Het Bloed van het Lam 13
(1)
Het Bloed van het Lam 14
(1)
Het Bloed van het Lam 15
(1)
Het Bloed van het Lam 16
(1)
Het Bloed van het Lam 17
(1)
Het Bloed van het Lam 18
(1)
Het Bloed van het Lam 19
(1)
Het Bloed van het Lam 20
(1)
Het Bloed van het Lam 21
(1)
Het Bloed van het Lam 22
(1)
Het Bloed van het Lam 23
(1)
Het Bloed van het Lam 24
(1)
Het Bloed van het Lam 25
(1)
Het Bloed van het Lam 26
(1)
Het Bloed van het Lam 27
(1)
Het Bloed van het Lam 28
(1)
Het Bloed van het Lam 29
(1)
Het Bloed van het Lam 30
(1)
Het Bloed van het Lam 31
(1)
Het Bloed van het Lam 32
(1)
Het Bloed van het Lam 33
(1)
Het Bloed van het Lam 34
(1)
Het Bloed van het Lam 35
(1)
Het Bloed van het Lam 36
(1)
Het Bloed van het Lam 37
(1)
Het Bloed van het Lam 38
(1)
Het bloed van het Lam 39
(1)
Het Bloed van het Lam 40
(1)
Het Bloed van het Lam 41
(1)
Het Bloed van het Lam 42
(1)
Het Bloed van het Lam 43
(1)
Het Bloed van het Lam 44
(1)
Het Bloed van het Lam 45
(1)
Het Bloed van het Lam 46
(1)
Het Bloed van het Lam 47
(1)
Het Bloed van het Lam 48
(1)
Het Bloed van het Lam 49
(1)
Het Bloed van het Lam 50
(1)
Het Bloed van het Lam 51
(1)
Het Bloed van het Lam 52
(1)
Het Bloed van het Lam Deel 1
(18)
Het Bloed van het Lam Deel 2
(13)
Het Bloed van het Lam Deel 3
(11)
Het BLoed van het Lam Deel 4
(4)
52 - De lege Graaltombe...
52.
En de kist gaat open. En Lena gilt: ‘Help me! Ik stik! Ik ga dood!’
En het eerste dat ze ziet, is het bezorgde en doodsbange gezicht van de liefde van haar leven: Maarten Dejonckheere.
Maar dat kan niet. Want Lena kan niets meer zien. Haar ogen zijn gebroken.
Lena is in de brandkast van haar voorvaderen gekropen, in het volautomatische koningsgraf waarvan je het mechanisme bij de ingang van de grafkelder in werking kunt zetten. ‘Dan schuift de deksteen traag open en als ge er daarna nog eens op drukt, schuift de tombe even traag weer toe’, ratelt Bert. ‘Lena heeft het mechanisme in werking gezet dat het graf toe doet schuiven en daarna is ze d’rin gekropen. Plaats zat, want het graf is leeg.’
Er liggen helemaal geen stoffelijke resten in het graf en er werden ook geen documenten in bewaard, om nog maar te zwijgen over geld, gouden tanden, juwelen, Rechtvaardige Rechters. Het graf is leeg en Lena is in dat lege graf gekropen; ze moet in paniek geweest zijn…
‘Misschien dacht ze dat ik haar nog bijtijds zou vinden…? Wie zal het zeggen, meneer Dejonckheere. Ik ben in alle geval te laat gekomen. Wie had ook kunnen denken dat ze zich in die verdomde graftombe zou verschuilen? Dat is een compleet luchtdichte constructie, zoals ge ziet! Ze moet toch geweten hebben dat ze daar nauwelijks een paar uur lucht in had?’
En Maarten tuimelt in vrije val door de hel van Dante. Hij suist door een immense trechter, waarvan het uiteinde zich in het middelpunt van de aarde bevindt. Langs de wanden van de trechter zijn gaanderijen zichtbaar waar de bewoners van de hel zich verschuilen voor de bombardementen.
Hij tast naar de buil op zijn achterhoofd. Ze heeft de grootte van een ei. De pijn snerpt door zijn schedel. Zijn handen en knieën zijn geschramd en hij heeft zijn schouder lelijk gekneusd.
Er zit een vuistdik gat in zijn kortetermijngeheugen. Hij herinnert zich nog dat hij over het oppervlak van de aarde rende in de richting van de kapel van Mesen en dat de grond toen plotseling onder zijn voeten wegzakte. Dat hij in een vergeetput viel. Het maanlicht danste zilverig op het smerige water.
Maarten gaat overeind staan. De pijn vlijmt door zijn hoofd en vandaar door de rest van zijn lichaam. Levend begraven, denkt hij. ‘Laat varen alle hoop, gij die hier binnentreedt!’ Dat staat toch bij de ingang van de hel in een steen gebeiteld?
Er groeien verschrikkelijke schimmels op de wanden van de vergeetput. Een dikke spin waggelt op een paar centimeter van zijn voeten voorbij. Achter hem ritselen onzichtbare ondiertjes.
Met zijn handen tegen de druipende muren gedrukt tracht hij zich staande te houden in het donker. Er drijft een kadaver op een laagje wit schuim – net badschuim met een bruine vlek in. Van een brok afval die een paar dagen in het water van deze vergeetput heeft gesudderd, is het onmogelijk vast te stellen wat het ooit is geweest. Alles ondergaat hier een metamorfose.
Maarten herinnert zich een rite van de vrijmetselaars: ze dalen af in het graf waar nieuw leven ontstaat uit de dood, uit verrotting. Daar is het dat de ingewijde moet worden gelouterd, getransmuteerd – zoals de alchemisten een onedel metaal in een edel metaal veranderen, zoals lood wordt omgezet in goud. Een vette pad staart hem van een hoopje slijmerig slijk met doffe, dwaze ogen onbegrijpend aan.
Hoe lang hij daar gezeten heeft, weet hij niet. Het kunnen minuten, het kunnen uren zijn. Hij heeft elk benul van tijd verloren. Zijn polshorloge is kapot. Achter hem weerklinkt een onrustig hijgen en nog voor hij zich kan omdraaien, voelt hij een zware last op rug en schouders drukken. Rode ogen lichten op als gensters in de as. Hij ruikt de hete, stinkende adem van het wezen dat kikvorspoten met brede zwemvliezen heeft die hem omstrengelen.
De kou en het vocht bijten in zijn huid en botten. Zijn krachten nemen af. De vermoeidheid stijgt langs zijn benen omhoog, weegt als een blok op zijn borst en nestelt als een prop watten in zijn hoofd. Hij tracht helder van geest en in beweging te blijven, maar zowel het ene als het andere valt hem steeds moeilijker.
Vroeg of laat zal iemand hem toch komen zoeken?
Ja toch?
Het volgende moment zit Paul Daniels aan zijn ziekenhuisbed. Maarten herkent hem aan zijn stem en ook omdat hij hier al eerder is geweest en zich toen zo heeft voorgesteld – maar waarover ze bij die gelegenheid gepraat hebben, kan hij zich niet meer herinneren.
‘Het lijk van Bert Ducaju werd gevonden in de parkvijver’, zegt Daniels. ‘De politie denkt aan een wanhoopsdaad.’
‘De broertjes Schwarzenegger’, fluistert Maarten. ‘Het zijn de broertjes geweest. Ik ben voor hen gevlucht en toen ben ik in die vergeetput gevallen en…’
‘En Jan Christiaenssens heb je daar niet gezien?’
‘Nee… Waarom?’
‘Stel dat hij erachter gekomen was waar Lena zich bevond… Omdat Mennaert contact met hem had opgenomen… Jan Christiaenssens had in dat geval nog een rekening te vereffenen met Ducaju, die Lena in bescherming genomen had in ruil voor eh… seks. Of iets wat erop leek.’
‘Nee’, zegt Maarten. ‘Geen Jan Christiaenssens gezien.’
Waar komt zijn baas zo ineens vandaan? Maarten probeert dit nieuwe mysterie te doorgronden. Het kost hem grote inspanning om de feiten in de juiste volgorde op een rijtje te krijgen. Voordat hij het huis van zijn oudtante Germaine verliet en koers zette naar het kasteel van Mesen, heeft hij de schoenendoos met Lena’s memoires op de post gedaan. Ja, nu weet hij het weer. Hij heeft het dikke pak opgestuurd naar Paul Daniels, die het begeleidende briefje heeft gelezen… en hij heeft Maarten gevonden, in zijn vergeetput.
‘De Graaltombe is leeg…’ zegt Daniels. ‘Nergens een spoor van eeuwenoude skeletten te bekennen, noch van documenten, stambomen, memoires, evangelies. It’s all blowin’ in the wind, my friend. Er valt niets meer te bewijzen.’
Quod erat demonstrandum.
Maarten stelt zich Lena voor in de stilte van de tombe. Dit is écht een krankzinnige geschiedenis en haar familie is volslagen idioot. Met z’n allen hebben ze al die eeuwen lang een illusie aanbeden, het niets in stand gehouden, een fata morgana nagejaagd. Ze hebben moorden gepleegd om een mythe te beschermen.
Maarten stelt zich Lena voor in de stilte van de tombe. Lena die het uitschatert en zo het laatste restje zuurstof verbruikt.
Hoe reageerde Meester Jan toen hij het mechanisme in werking zette dat de Graaltombe opende en sloot? Toen hij ontdekte dat de Graaltombe op Lena na leeg was? Toen hij tot het ontstellende besef kwam dat de Graaltombe nooit een Graal bevatte?
In het lege graf heeft Lena geen spaander van het Rechterspaneel gevonden, geen splinter van een relikwie, geen snipper van een geheim document. Ze heeft er zelfs geen cryptische inscriptie aangetroffen, geen enkele gecodeerde boodschap.
Wist Jan Christiaenssens dat de Graaltombe áltijd al leeg had gestaan? Of heeft hij de Graaltombe zelf leeggehaald nadat hij Dieter Klein en Lena in de Graalburcht had aangetroffen? Heeft de Meester de inhoud van het graf in een nieuwe, veiliger schuilplaats ondergebracht, zoals eerdere Meesters het hem hebben voorgedaan?
‘Terwijl jij hier van het leven lag te genieten, heb ik wat bijkomend onderzoek gedaan’, zegt Paul Daniels. ‘Het is ongelooflijk waar je allemaal achter komt met Google, als je maar weet welke zoektermen je moet gebruiken. Je zult het me wel niet kwalijk nemen dat we al met de productie van start zijn gegaan zonder jou? Het is een schitterende geschiedenis om mee uit te pakken, Maarten. Jouw Rechtvaardige Rechters hebben ons uiteindelijk een nog veel groter mysterie opgeleverd dan hun eigenlijke verdwijning al was…’
En hij begint enthousiast te vertellen hoe, op 25 september 1578, te midden van de godsdiensttroebelen, de burgemeester en de schepenen van Brugge zich genoodzaakt zagen de relikwie van het Heilig Bloed een veilig onderkomen te bezorgen. De dag daarop ging Juan Perez de Malvenda de relikwie in de Basiliuskerk ophalen, stopte ze in een loden en daarna in een houten kist, en begroef ze in de tuin van zijn woning. Zes jaar later, op 29 november 1584, toen Brugge opnieuw onder Spaans en katholiek gezag was gekomen, overhandigde de Malvenda de relikwie aan de bisschop van Brugge. Van al deze gebeurtenissen werd een proces-verbaal gemaakt, maar vreemd genoeg vergat men hierin het adres op te nemen van het huis van Juan Perez de Malvenda, waar het Heilig Bloed al die tijd een onderkomen had gevonden.
‘In de loop der tijden is de relikwie van het Heilig Bloed wel eens meer verborgen geweest. Op het eind van de negentiende eeuw kregen die bergplaatsen een gedenksteen, met een tekst van Guido Gezelle. Het huis waar Perez in 1578 de relikwie had verstopt, kon jammer genoeg niet met zo’n steen bedacht worden, want men wist niet waar het zich bevond. Niemand minder dan kapelaan Louis Van Haecke zou toen het huis in de Spanjaardstraat gesuggereerd hebben, dat bewoond werd door een familie Christiaenssens. Maar de organisatoren wilden hier geen gedenksteen plaatsen vanwege de kwalijke reputatie van het huis… en van de kapelaan.’
Een paar dagen later zit Paul Daniels opnieuw aan het bed van Maarten. ‘Ik heb mij eens over de geschiedenis van de fameuze Edele Confrérie van het Heilig Bloed gebogen… In de memoires van Lena Christiaenssens is sprake van een meneer Lauwereyns, die aanwezig zou geweest zijn tijdens de mysterieuze samenkomsten, geleid door haar opa Jacob. Nu was een Charles Lauwereyns al sinds 1753 lid van de Confrérie. Uiteraard moet hij vertrouwd geweest zijn met de symboliek die rond de relikwie van het Heilig Bloed van Christus was geweven. In de iconografie die hiervoor werd gebruikt, stond de gekruisigde Christus centraal. Maar de figuren van de Moeder Gods en van de Heilige Johannes, apostel en evangelist, sloten er nauw bij aan. Op liturgische voorwerpen kwam niet zelden een arend voor, het symbool van Johannes. Maar wat Lauwereyns en ieder lid van de Confrérie vooral moest opvallen, was de pelikaan – zowat het hoofdsymbool, het kenteken van de Confrérie van het Heilig Bloed in Brugge…’
‘Lena heeft het daar meer dan eens over gehad. De pelikaan die zich de borst openrijt om met zijn eigen bloed zijn hongerende jongen te voeden.’
‘Het is inderdaad al eeuwenlang een symbool van de Liefde met hoofdletter L, en het mag dus geen verwondering wekken dat het symbool present is in een heiligdom, gebouwd rond een schrijn met het Bloed van de Verlosser. Laten we, met dit gegeven in het achterhoofd, nu eens bekijken wat er zoal omging in de vrijmetselarij van die tijd en meer bepaald in de Franse en Fransgeoriënteerde loges. In het midden van de achttiende eeuw was daar de rage van de hoge graden uitgebroken; ik bespaar je de details. De hoogste graad heette “Rose Croix”. De volledige titel van deze graad luidde: “Très sage, très sublime, très parfait et très vénérable frère chevalier de l’Aigle et du Pélican, prince souverain Rose-Croix et Maçon parfait.” Het bijzondere ritueel van de graad was volledig doordrongen van christelijke symboliek en volledig gewijd aan de dood en de verrijzenis van de Verlosser. De bijeenkomsten vereisten twee kamers: de eerste symboliseerde de Schedelberg, Golgotha; de tweede het lege graf van de Mensenzoon, dat een allegorie was op zijn dood en verrijzenis. Boven de hoofden van de aanwezigen zweefde een arend, het symbool van Johannes de Evangelist die volgens de esoterische tradities de grondlegger was geweest van de Kerk van de ingewijden.’
‘Wat wil je me nu vertellen, Paul? Dat de familie Christiaenssens bestaat uit vrijmetselaars?’
‘Het waren niet zomaar vrijmetselaars, nee… De familie behoorde veeleer tot een zeer specifieke tak van de Rozenkruisers. Een man als Lauwereyns bijvoorbeeld beschouwde het lidmaatschap van de Edele Confrérie en de kwaliteit van Rozenkruiser duidelijk als twee complementaire aspecten van dezelfde realiteit. In de Heilig-Bloedkapel zag hij overal het kruisbeeld en de pelikaan en tijdens bijeenkomsten van de Rozenkruisers droeg hij een ritueel schootsvel, waarop het kruis, de roos en de pelikaan de centrale symbolen waren. Dezelfde pelikaan was met zilverdraad op de zwarte toga geborduurd, die Lauwereyns en zijn confraters droegen wanneer ze het Heilig Bloed begeleidden… In 1765 werd hij bijna tegelijkertijd verkozen tot proost van de Edele Confrérie én tot Achtbare Meester van de Brugse loge La Parfaite Egalité. En zo raakte de Edele Confrérie in het midden van de achttiende eeuw volkomen geïnfiltreerd door de Rozenkruisers.’
Omdat Maarten allerminst een deskundige is als het op geheime genootschappen aankomt, schetst Paul Daniels hem kort waar de orde voor staat, die volgens de overlevering in 1407 opgericht werd door de Duitser Christian Rosenkreutz. ‘Hij studeerde in het Heilige Land onder leiding van verscheidene meesters in het occulte. Gedurende zijn leven bestond de orde uit niet meer dan acht leden, die evenwel over een enorme schat aan geheime kennis beschikten. Christian Rosenkreutz overleed in 1484 en met hem stierf ook de orde uit, maar in het begin van de zeventiende eeuw leefde ze plots weer op. Sommige Rozenkruisers accepteerden zijn verhaal als de waarheid, anderen beschouwden het veeleer als een parabel.’
‘Zou het kunnen dat de familie Christiaenssens zich naar de stichter van hun orde heeft genoemd?’ vraagt Maarten zich hardop af.
‘Best mogelijk’, antwoordt Daniels. ‘Hoe dan ook, de missie van de Rozenkruisers bestaat er nog steeds in – en nu komt het, Maarten – het menselijk welvaren veilig te stellen door de opbouw van een door hen gestuurd regime in Europa.’
‘De oude droom van de Tempeliers…’
‘Jazeker. En weet je wat mij nu zo dwars zit?’
‘Nee…’
‘Tot dusver zou het verhaal van Lena best wel kunnen kloppen. Oké, we hebben de Rechtvaardige Rechters dan wel niet bij de hand als onweerlegbaar bewijsstuk van haar hele story, maar er zijn talloze details die haar relaas iets authentieks geven en die je kunt verifiëren, waar je her en der de sporen van terugvindt. Het past allemaal zo mooi in elkaar, tot en met die discrete verwijzingen naar de Rozenkruisers… Maar dan komt het, Maarten…’ Daniels pauzeert even, als om Maarten de gelegenheid te geven zich voor te bereiden op een schok. ‘Er is nooit een Kurt Degraeve actief geweest als… de Zwarte Magiër was het toch, nietwaar?’
‘Je bedoelt dat…?’
‘Ik bedoel dat de zogenaamde liefde van haar leven nooit is omgekomen bij een tragisch ongeval, omdat…’ Paul Daniels kijkt bijna schuldbewust naar zijn schoenpunten. ‘Wel ja, Maarten, omdat de goochelaar en illusionist Kurt Degraeve een pseudologisch-fantastische creatie van Lena is en niets meer. Ik heb mijn beste researchers op de zaak gezet en zij zijn eenduidig: er bestáát gewoon geen variétéartiest die luistert naar de naam Kurt Degraeve. En blijkbaar is het ook onmogelijk het huis van de familie Christiaenssens nog op te sporen in die buitenwijk van Brugge waar Lena het altijd over had. Zoals het onmogelijk is een snipper van een document terug te vinden, een stukje van een foto, een kleine vermelding in een of ander archief… van Jan, van Johan, van Jacob of van Magdalena Christiaenssens.’
‘En haar identiteitskaart dan?’
Daniels zucht. ‘Je hoeft niet echt een zware jongen te zijn om aan een goede vervalsing te geraken.’
‘Maar Ilse? En Vera? Lisa?... Ze kunnen toch niet allemaal…’
‘Nergens hebben mijn mensen ook maar de minste bevestiging gevonden dat Lena’s mama zich heeft verhangen,’ zegt Daniels zacht, ‘of dat haar schoonzus het slachtoffer werd van een seksmaniak… of dat haar grootmoeder in het Minnewater is gesprongen, gevallen of gegooid…’
De woorden van Daniels treffen Maarten als evenzovele mokerslagen. Zijn baas kijkt hem bezorgd aan, alsof hij bang is dat Maarten op het punt staat geveld te worden door een beroerte.
‘Gaat het, Maarten?’
‘Het gaat, Paul.’
‘Sorry.’
‘Het is niets.’
‘Misschien had ik daar nog niet moeten over beginnen.’
‘Jij kunt het ook niet helpen.’
‘Het brengt Lena niet terug.’
‘Nee.’
‘Het spijt me.’
Even later, als Maarten weer tot praten in staat is, zegt hij: ‘Zo te horen hebben Baigent, Leigh en Lincoln eens te meer gelijk gekregen…’
‘Hoezo?’
‘We zouden onze documentaire over het Lam Gods en het Heilig Bloed en de spoorloze Rechters kunnen openen met een motto dat…’ Zijn stem stokt.
‘Ja, Maarten?’
‘De beste leugens, Paul… Zijn die niet altijd verdraaiingen van de waarheid?’
WWW.SQUIDOO.COM/PATRICK-BERNAUW-ONLINE
