16 - Over het verband tussen de Schat van de Tempeliers, de raid op het Tempelhuis van Ieper, de Graal en de Rechtvaardige Rechters

Jacques De Molay (Vitrey, 1243/1244 ou 1249/1250 - Paris, 18 de Março de 1314)




16.

In Parijs stierf de schoonzuster van Filips. De koning verzocht Tempelgrootmeester de Molay samen met de notabelen van het land de slippen van het lijkkleed te dragen. De grootmeester ging in op het minzame verzoek, maar niet voordat hij een vertrouweling bij zich had geroepen. Gerard de Villers had zijn kwaliteiten reeds tijdens de evacuatie van Ruad bewezen. Jacques de Molay besefte heel goed wat de uitnodiging van Filips te betekenen had. Het uur van de waarheid was aangebroken.
Op twaalf oktober 1307 verlieten drie ossenwagens, bedekt met stro en bewaakt door vierendertig Tempeliers onder aanvoering van Gerard de Villers, de veilige ommuring van de Franse Tempel. ‘Ik zag ze in de richting van de zee rijden,’ verklaarde een ooggetuige later. ‘Volgens mij vervoerde het konvooi de schat van visitator Hugues de Pairaud, die overgeladen moest worden op achttien schepen van de orde, om vervolgens naar Engeland getransporteerd te worden.’ Wonderlijk genoeg scheen deze bekentenis de ondervragers niet te interesseren. Meenden zij beter te weten? In ieder geval is dit voor heel wat schattenjagers de reden geweest om de Tempelschat ten noordwesten van Parijs te zoeken, in het versterkte kasteel van Gisors. Men ging er eenvoudig vanuit dat de schat daar wel verborgen zou zijn, omdat ze in Engeland nooit boven water was gekomen en evenmin onderweg werd onderschept.
 Historici noemden het verhaal van het vluchtende konvooi een legende en deden de geciteerde getuigenis van de hand als een verzinsel. Maar om aan de tortuur te ontsnappen, had de getuige een geloofwaardiger verhaal kunnen bedenken of hoefde hij enkel te herhalen wat zijn beulen hem voorzegden. Waarom kwam hij dan ongevraagd met een zo gedetailleerde ‘bekentenis’ op de proppen? En als het vluchtende konvooi een legende en de getuigenis een verzinsel was, waar kwam dan de zichtbaar afgematte troep vandaan die zich in de late avond van de veertiende oktober aanmeldde bij de wachtposten van het kasteel van Hespérange in hartje Luxemburg? Het konvooi bestond uit drie ossenwagens en een veertigtal ruiters, die met de grootste achting werden bejegend. Gedurende de volgende dagen voerde men achter de dikke muren van Hespérange een geheim overleg, waarna de drie wagens met hun indrukwekkende escorte het kasteel verlieten om spoorloos te verdwijnen. Tot op de dag van vandaag kan men alleen maar raden naar hun bestemming, de aard van hun missie of de vracht die ze vervoerden.
Op dat ogenblik waren in heel Frankrijk reeds alle ridders met een witte mantel van hun bed gelicht en in hechtenis genomen. Zij gaven zich zonder slag of stoot over. Deze arrestaties dateerden van vrijdag dertien oktober 1307 en sinds die dag – waarop zich volgens een Franse historicus ‘een van de donkerste mysteries van de geschiedenis’ voltrok – zou iedere vrijdag die op een dertiende viel een ongeluksdag zijn.
Nogaret en een horde soldeniers kwamen in het flakkerende licht van hun fakkels bij de Parijse Tempel aan en namen Jacques de Molay gevangen, samen met 138 andere Tempeliers. De volgende dag – terwijl het konvooi van Gerard de Villers het slot van Hespérange naderde – namen koning Filips, Enguerrand de Marigny en Guillaume de Nogaret hun intrek in de Tempel.
‘Ik heb twee prioriteiten,’ zei de koning. ‘Ten eerste, het bergen van de schatten en de documenten van de orde. Ten tweede, het zo spoedig mogelijk verkrijgen van bekentenissen.’ Met zijn tweede prioriteit boekte hij veel meer succes dan met de eerste. De schatten en de archieven van de Tempel werden immers nooit teruggevonden.  

‘Opa Jacob vond het bijzonder jammer dat de historici zo weinig aandacht hadden besteed aan de rol die onze gewesten hebben gespeeld in de geschiedenis van de Tempelorde,’ zegt Lena op een pedant toontje, alsof ze een lezing houdt voor een stelletje academici. ‘Rond het Tempelhuis van Ieper, de Europese bakermat van de orde, bestaan bijvoorbeeld ook in verband met de laatste officiële uren van de Tempeliers enkele hoogst merkwaardige documenten. Ze werden ons overgeleverd door de kroniekschrijvers Jan van Ieper en Sanderus, die stelden dat de aanhouding van de Ieperse Tempelridders in 1307 verricht zou zijn door Franse soldaten, omdat Robrecht van Bethune niet wilde ingaan op het arrestatieverzoek van Filips de Schone.’
‘Franse soldaten? In 1307? In Ieper?’ roept Maarten ongelovig uit.
‘Tsja… De historici hebben dat verhaal ook altijd onwaarschijnlijk gevonden. Welke reden zou Filips gehad hebben om een paar honderd Franse commando’s een raid te laten uitvoeren op het Tempelhuis van Ieper?
‘Geen enkele, tenzij het hem om de schat van de Tempeliers te doen was,’ antwoordt hij.
‘Het geheim dat van hun orde de grootste machtsfactor van het Westen had gemaakt,’ knikt Lena.
‘Maar dat geheim bevond zich toch in de zwaar versterkte Tempelvesting in Parijs? Of  niet?’
‘Misschien had Filips onraad geroken, want waarom lieten de Franse Tempeliers hem in de Parijse Tempel zonder slag of stoot zijn gang gaan? Waarom had Jacques de Molay geen voorzorgen genomen? Waarom lieten de grootmeester en al die anderen zich zo gewillig naar de slachtbank leiden?’
‘Omdat ze wisten dat hun geheimen veilig waren…’
‘Er schuilt zowaar een detective in jou, Maarten!’
‘Een detective misschien, maar wat doen we met de researcher in mij? Mijn baas bij The X Factory wordt ongeduldig, Lena. Ik heb hem revelaties beloofd rond de Rechtvaardige Rechters, maar het enige wat ik van jou te horen krijg, zijn verhalen over het Heilig Bloed van Brugge en over de Tempeliers.’
Maarten heeft tegenover Paul Daniels in alle talen gezwegen over haar familiegeschiedenis, die te pijnlijk was voor woorden. Lena heeft hem beloofd dat ze te zijner tijd al haar beweringen zal staven met harde bewijzen. Hij durft er niet op aan te sturen dat ze hier zo snel mogelijk werk zou van maken. Zo lang ze bij hem logeert, is het voor hem ook onmogelijk in het geniep één en ander te checken. Als ze de waarheid spreekt, is die familiegeschiedenis van haar iets dat je een ticket enkele reis richting gekkenhuis kan bezorgen. Als ze het allemaal verzonnen heeft ook, trouwens. En het was toch op een verblijf in de psychiatrie dat parkwachter Bert gezinspeeld had? Nee, Maarten kan de relatie met zijn werkgever niet compliceren door haar familiegeschiedenis een rol te laten spelen in zijn documentaire rond de verdwenen Rechters. En hij wil evenmin het risico lopen dat Lena door zijn toedoen haar klaarblijkelijk hervonden, maar nog steeds vrij wankel evenwicht zou verliezen.
‘Nog even geduld, Maarten,’ glimlacht ze. ‘Want we komen zo stilaan in de buurt...’
‘Filips De Schone die het wezenlijke geheim van de Tempeliers in Vlaanderen hoopt te vinden?’
Lena knikt weer.
‘Als ik jouw gedachtengang zo een beetje probeer te volgen,’ zegt Maarten, ‘dan zouden de Rechtvaardige Rechters dus ook gestolen zijn omdat ze iets te maken hadden met dat geheim. Dan vormde dit het motief voor de moord op Goedertier en zijn kompanen en dan is het ten slotte ook de reden waarom jij…?’
‘Je slaat de nagel op de kop, Maarten. Laten we het dus eerst nog even over het vluchtende konvooi hebben…Best mogelijk dat het konvooi een materiële Tempelschat vervoerde én in veiligheid bracht, maar om deze materiële schatten was het de Tempeliers niet te doen. Anders zouden ze al hun andere schatten van zilver en goud in hun burchten en kastelen, commanderijen en vestingen in heel West-Europa met hand en tand verdedigd hebben? Dat hebben ze niet. Dus…?’
‘Dus moeten wij concluderen dat hun macht en rijkdommen hen niet echt veel konden schelen, als zij hun wezenlijke geheim maar in veiligheid wisten. En dat wezenlijke geheim bevond zich toen nog in Ieper? Of in Brugge? Het zou pas later naar Gent komen en daar een verband krijgen met het Lam Gods, waarop zowel de Tempeliers als de Graal te zien zijn.’
‘Zo is dat. Misschien had Filips redenen om aan te nemen dat het geheim van de Tempel zich op dat moment in het Tempelhuis van Ieper bevond… Nog voor de raids werden uitgevoerd, had hij al een aantal Tempelridders ontvoerd. Ze waren verdwenen in de folterkerkers van zijn kastelen. Wie weet wat ze hem hebben verteld? De waarheid? Wat zij voor de waarheid hielden? Een verzinsel dat moest doorgaan voor waarheid?’
‘De beste leugens zijn altijd verdraaiingen van de waarheid,’ gromt Maarten. Dat is geen wijze quote van hemzelf maar van het trio Baigent, Leigh & Lincoln van wie hij een boek in zijn bibliotheek heeft staan. Sinds Lena aan het vertellen is gegaan over het Heilig Bloed en de Heilige Graal heeft hij herhaaldelijk aan dit nogal speculatieve ‘historisch’ werk gedacht.. Het heeft dan ook de titel The Holy Blood and The Holy Grail en het was begin jaren tachtig al eens een wereldwijde bestseller geweest, tot het in het zog van het succes van Dan Brown een tweede keer in de top tienlijstjes opdook. Als je Brugge even buiten beschouwing laat, vertoont het verhaal dat Lena opdist over de Graal en de Tempeliers wel enige overeenkomsten met wat deze drie auteurs in hun boek vertellen, constateert hij.
‘In 1844 dook het verhaal over de moord op de Ieperse Tempeliers op in het blad Belgisch Museum, en nog wel in de vorm van een bloedig ooggetuigenverslag van de novice Lieven Weemaere, “filius Zacharias, geboortig van Poperinge”. In 1897 werd de Beschrijvinghe van de moort der gewezen Tempeliers, woonende in de voorstad van Yper in grote lijnen overgenomen door het Amsterdamse Maçonniek Weekblad. Het relaas dat “na langen tyd na de dood der voorgehoudene Novitie” door kroniekschrijver Thomas De Raeve werd gevonden, leek qua datering niet zo best te kloppen. Eigenaardig was ook dat de vierentwintig Tempeliers van Ieper zonder enige vorm van proces over de kling werden gejaagd, voordat de Fransen tot een massale plundering overgingen. De Tempeliers werden niet verhoord en men trachtte ze geen bekentenis af te dwingen. Ten gunste van de authenticiteit van het document spraken dan weer de uiterst gedetailleerde wijze waarop Lieven Weemaere verslag uitbracht en de lijst met namen van omgebrachte Tempeliers die hij eraan toevoegde. Dit document kon met andere woorden alleen authentiek zijn als Flips de Schone een zeer goeie reden had om een moordcommando op de Ieperse Tempeliers af te sturen. Hij zou alleen zoiets onwaarschijnlijks gedaan hebben, als hij onwaarschijnlijk veel waarde hechtte aan iets, waarvan hij geloofde dat het zich in de Ieperse Tempel bevond. Bijgevolg gaf hij zijn commando’s de opdracht alle Ieperse Tempeliers voor eeuwig het zwijgen op te leggen, waarna de schat naar Parijs gebracht kon worden. Maar blijkbaar was die schat al te goed verborgen of op het laatste nippertje elders ondergebracht, want de “commissaerheren” van de Franse koning konden alleen maar overgaan tot een nauwkeurige inventaris van de inboedel.’
‘Maar als het Filips werkelijk te doen was om de Graal, dan kon hij toch eenvoudig in Brugge terecht?’
Lena grijnst de scheve grijns die ze geërfd heeft van haar grootvader. ‘Precies dezelfde vraag heb ik opa Jacob ook gesteld.’
‘En wat antwoordde hij?’
‘Dat er, enerzijds, zoiets bestond als een publieke Graal: die van Brugge dus, een symbool bestemd voor populair gebruik, zeg maar… En anderzijds was er een occulte Graal, van immateriële aard, waarvan de publieke Graal een afspiegeling was.’
‘Die occulte Graal zou dan een zekere kennis geweest zijn? Een bepaalde wetenschap, ondersteund door bewijzen?’
‘Zeg maar: een geheim,’ vult Lena aan.
‘Maar de grote inspanningen van Filips ten spijt, waren de Ieperse Tempeliers hem te snel af.’
‘Rekening houdend met een daterings- of kalenderfout – het jaar liep toen van Pasen tot Pasen – moeten we de overval in de periode mei-juni 1308 situeren, in plaats van in oktober 1307. De eerste golf arrestaties in Frankrijk was dan al achter de rug, maar in de rest van Europa werden de Tempeliers vaak nog ongemoeid gelaten door de plaatselijke machthebbers. Op dat moment kon de Graal – de wezenlijke versie dan – alweer zeer goed uitgeweken zijn naar andere oorden.’

Het was vrijdag dertien oktober 1307 en Filips de Schone liet de akte van beschuldiging bekendmaken. Tijdens het afleggen van de gelofte, wat altijd bij nacht plaatsvond, zouden de novicen Christus verloochend en zijn beeltenis bespuwd en met de voeten getreden hebben. Met diegene die hem in de orde had opgenomen, moest de novice actief of passief kussen wisselen op delen van het lichaam die doorgaans bedekt bleven. De Tempeliers vereerden een op een kop gelijkend afgodsbeeld, waarvan zij toename in rijkdom en geluk afsmeekten. Het was aan de priesters verboden in de mis de sacramentele woorden tot de verandering van het brood en de wijn uit te spreken en aan de nieuw opgenomen leden van de orde werd de omgang met vrouwen verboden, maar die met ordebroeders daarentegen uitdrukkelijk toegestaan en zelfs aanbevolen.
Vervolgens konden de folteringen een aanvang nemen: de Tempeliers van Parijs kregen gewichten aan de geslachtsdelen en ze werden de huid afgestroopt en opgehangen tot hun ledematen uit de gewrichten waren getrokken. Zesendertig ridders overleefden het niet; vier weigerden halsstarrig verklaringen af te leggen. De overigen, met inbegrip van Jacques de Molay – mannen van staal die hun leven veil hadden voor hun geloof en met ware doodsverachting de kromzwaarden van de Saracenen hadden getrotseerd – bekenden wat hen ten laste werd gelegd. Later herriepen de meesten onder hen hun bekentenissen weer, hoewel ze goed beseften dat de maximumstraf die ze konden oplopen – eeuwige inkerkering – hierdoor werd omgezet in het vuur van de brandstapel.
De paus was ontstemd, ook en vooral omdat Filips de Schone op eigen initiatief de Engelse en de Duitse koning en een heleboel prinsen had verzocht zijn voorbeeld te volgen. In de zeven jaar die volgden op hun arrestatie kregen de Tempeliers de weinig benijdenswaardige status van ‘politieke speelbal’. Er volgde een verward proces met tegenstrijdige verklaringen en paradoxale manoeuvres.
In 1310 werden vierenvijftig Tempeliers die hun bekentenissen hadden ingetrokken – zogenaamde ‘relapsi’ – op een veld buiten Parijs verbrand. Het jaar daarop kwam het concilie van Vienne bijeen en nodigde paus Clemens enkele nog op vrije voeten verkerende Tempeliers uit hun zaak te komen bepleiten. Ongelooflijk maar waar: plotseling weerklonk het gerinkel van sporen in de zaal en voor de rijen verstarrende prelaten verschenen negen ridders in de witte mantels met het rode kruis. Onder hen maar liefst drie Vlamingen: Goswin van Brugge, de commandeur van Vlaanderen, Jean van Slijpe en Gobert van Male.
‘De hebzucht van koning Filips is de oorzaak van de ellende die over de Tempelorde is gekomen,’ verklaarden zij vastberaden. ‘Tweeduizend ridders staan daarbuiten klaar om onze zaak kracht bij te zetten!’
Op een gewijde plaats zouden zij niet overgaan tot de aanval, hoopte Clemens. Bovendien was het nog maar de vraag of er inderdaad tweeduizend ridders aan de vervolgingen waren ontkomen en zich nu verscholen in de beboste heuvels rondom Lyon. Clemens liet de negen overmoedige Tempeliers – net zoveel als er ooit de orde hadden gesticht – achter slot en grendel draaien. Of de bewering van de negen louter bluf was, werd nooit duidelijk. Wat er met de negen Tempeliers gebeurde nadat zij in de boeien waren geklonken evenmin.
Op drie april 1312 verscheen de pauselijke bul Vox Clamantis, waarmee de Tempelorde werd opgeheven en afgeschaft. Een tweede bul besliste dat de goederen van de orde overgedragen moesten worden aan de orde van Sint Jan. De bezittingen in de koninkrijken Castilië, Aragon, Portugal en Mallorca gingen naar de nationale militaire orden die de Saracenen bestreden. Een derde bul sloot de Tempelierstragedie voorlopig af met een pauselijke aanbeveling om de ontsnapte leden verder te vervolgen.
Voor Filips was hiermee geenszins een streep onder het proces. Jacques de Molay en drie andere hoogwaardigheidsbekleders leefden nog en waren niet publiek en officieel veroordeeld. Ze zaten reeds jaren opgesloten in de onderaardse kerkers van het slot Gisors in Normandië, waar volgens sommigen ook hun schatten waren verborgen. Niemand had de ridders nog gezien sinds zij daar waren aangekomen, niemand wist of zij vernomen hadden dat hun orde was opgeheven. Waren zij nog helder van geest? Op de muren van Gisors heeft men vreemde tekeningen aangetroffen. Een teken van leven? Een boodschap?
Zolang Jacques de Molay leefde, vormde hij een gevaar voor Filips. Dat hadden de gebeurtenissen van Vienne wel bewezen. Maar de Molay en zijn kompanen hadden schuld bekend en de standaard straf voor ketterij was de vergeetput. Alleen ‘relapsi’ werden verbrand. Bovendien had de paus zichzelf het recht voorbehouden het vonnis uit te spreken over de hoogste gezagsdragers van de Tempelorde. Jammer genoeg scheen hij zich niet langer van hun bestaan bewust te zijn.  Dus forceerde Filips de paus tot een besluit. En Clemens, die de grootmeester niet meer onder ogen durfde te komen, gaf de beslissing uit handen…
In maart van het jaar 1314 liet Filips de Schone een tribune voor de Notre Dame oprichten, waarop de door hem gekozen pauselijke gezanten in het openbaar het laatste vonnis zouden uitspreken. Naast hen stonden op een verhoog de geketende grootmeester van de orde en de preceptor van Normandië, Geoffroy de Charnay. Zij waren de laatste getuigen van de kruistochten. Ook Hugues de Pairaud en Geoffroy de Gonneville werden gekeurd door de prelaten en het gepeupel dat de nauwe straten van Parijs had verlaten om dit schouwspel gade te slaan.
De vier gebroken oude mannen hoorden de smadelijke lijst aan die door de kardinalen werd voorgelezen: ‘Godsverloochening, ontheiliging van het kruis, afgoderij, sodomie…’ En dan de straf: ‘Eeuwige inkerkering.’ Op dat ogenblik richtten Jacques de Molay en Geoffroy de Charnay zich op en verloochenden zij zowel hun eigen bekentenis als die van alle andere Tempeliers. Hugues de Pairaud en Geoffroy de Gonneville zwegen en werden weggeleid. In dichtgemetselde onderaardse kerkers zouden zij hun leven beëindigen; niemand wist waar en wanneer precies.
Filips zag zijn verwachtingen uitkomen. Koel beval hij de beide wapenbroeders dadelijk te verbranden op een eilandje in de Seine. Omstreeks het uur van de vespers kon men daar in het noorden de torens en de kerken van de Tempel bewonderen, in het oosten het kantwerk van de nieuwe kathedraal Notre Dame. Teer groen bloeide langs de oevers van de Seine. Zilverkleurig stroomde het water.
Filips keek toe vanuit een raam van zijn paleis. Toen Jacques de Molay merkte dat het vuur werd aangestoken, kleedde hij zich zonder aarzelen uit en met vaste tred en een haast vrolijke uitdrukking op het gezicht kwam hij aangelopen. De beulen maakten aanstalten om hem aan de paal te binden en zijn handen te boeien, maar hij weerde hen af. De beulsknechten staken de houtstapel slechts traag in brand, om het lijden van de veroordeelden te verlengen. Alsof de vlammen hem niet deerden, schreeuwde Jacques de Molay de onschuld van de orde uit en vervulde hij de menigte met bewondering en bang ontzag.
Een allerlaatste maal richtte de grootmeester van de Tempeliers zich in zijn volle lengte op. ‘Paus Clemens! Koning Filips! Enguerrand de Marigny! Ik daag u voor het hemels tribunaal voordat het jaar voorbij is, om uw straf in ontvangst te nemen! Vervloekt! Vervloekt! Vervloekt zijt gij tot in de dertiende generatie van uw afstamming!’
Zijn dood was een overwinning. Wat sterfelijk was, werd vernietigd. Wat onsterfelijk was, werd gered. Toen de nacht viel, slopen zeven Tempeliers verkleed als metselaarsgezellen naar de plaats van de terechtstelling. Ze namen een handvol as en wierpen deze in de richting van het koninklijk paleis, terwijl ze zwoeren de slachtoffers van Filips en Clemens te zullen wreken. Enkele jaren later staken zij over naar Engeland om daar de eerste vrijmetselaarsloge op te richten; sommigen zeiden in Londen, anderen in Schotland.
Paus Clemens stierf onder hevige krampen en pijnen, eenenvijftig jaar oud, op de kop af een maand na de dood van Jacques de Molay en zijn wapenbroeder. Het laatste jaar van Filips’ regering begon bloedig en somber, met een familiedrama waarbij overspel, nieuwe martelingen en alweer een schijnproces kwamen kijken. Er volgde nog maar eens een militaire campagne tegen Vlaanderen. In Artois, Champagne, Bourgondië en Picardië kwam het volk in opstand. De koning werd ziek en kwijnde weg.
‘De precieze omstandigheden van zijn dood en zijn exacte doodsoorzaak zijn tot op de dag van vandaag onbekend gebleven,’ vertelde Lena me, zoals opa Jacob het ooit aan haar had verteld. ‘Met zekerheid kunnen we alleen zeggen dat hij gestorven is in Fontainebleau, op 29 november 1314.’
Een half jaar later viel de rechterhand van Filips, Enguerrand de Marigny, in ongenade. Hij werd op beschuldiging van goddeloosheid en tovenarij gevangen gezet in de Parijse Tempel en daarna opgehangen. Ook de op elkaar volgende regeringen van de drie zonen van Filips de Schone waren van korte duur.
Voor zijn arrestatie zou Jacques de Molay de macht overgelaten hebben aan Jean Marc Larmenius van Jeruzalem die, hoewel de orde reeds in 1312 door paus Clemens was ontbonden, in 1324 een charter opmaakte dat ‘de voortzetting’ ervan moest verzekeren. Het handvest zou doorgegeven zijn aan zijn opvolger en door de opeenvolgende Tempelgrootmeesters steeds zorgvuldig bewaard…




Brasão

WWW.SQUIDOO.COM/PATRICK-BERNAUW-ONLINE

Blog Rock 'n' Roll

Het Bloed van het Lam - Fan Box